Aanrecht (S032)

Zondag 30 juli 2017

Door bazbo

Marcel Mooij

Warm was het, drukkend en benauwd. Toch had de schrijver het gewaagd. Hij wist dat het hem goed deed, dus had hij zich over zijn eerste weerstand heen gezet en zijn hardsloopschoenen aangetrokken. Een maand of wat geleden had hij nieuwe aangeschaft. Hij had een jaar op zijn vorige gelopen en merkte dat de vering er wat uit was. Of hoe noemde die knul in de sportwinkel dat? Demping. Dat was het. Deze nieuwe schoenen liepen weer heerlijk. Als nieuw. En dat waren ze ook.

Vandaag nam hij een route anders dan anders. Hij vroeg zich niet eens af waarom. Het mocht gewoon. Dat was ook iets nieuws van de laatste tijd. Hij stond zichzelf toe buiten de gebaande paden te lopen. Af en toe hield hij zich niet aan zijn gewoontes en gebruiken. Gewoon omdat het kon. En mocht. Zijn voetstappen waren bijna geluidloos. Een zacht soort geplof, zo klonk het op het asfalt.
Doorgaans koos hij stille weggetjes, zodat hij bijna zeker wist dat niemand hem zag. Nu, vandaag, mocht dat anders. Naast de doorgaande weg liep een fietspad en daar weer naast was het trottoir. Het fietspad was egaal en dat liep fijner dan het voetpad.
Een paar weken geleden had hij zijn lange loopbroek verwisseld voor een korte. In de winterbroek zat een zakje; in deze zomerbroek niet. Zijn huisdeursleutel zweette in zijn linkerhand. Hij had zijn wijsvinger door het ringetje gestoken en de sleutel bewoog in zijn warme handpalm.

Uit een geparkeerde auto stapte een wat oudere meneer. Opletten. Kijken of ik hem kan ontwijken. De meneer liep met een stok. Hij wachtte bij het fietspad. Zei hij nou iets? Ik ben hem al voorbij. Ja, hij zei iets. ‘Zo zien ze je echt wel, hoor.’
Wat bedoelde die vent? Zou het slaan op zijn loopshirt? Dat was fluorescerend groen. En in combinatie met zijn gloednieuwe fluorescerend groene hardloopschoenen was hij inderdaad goed zichtbaar. Dat was toch ook de bedoeling? Dat hij niet aangereden zou worden als het schemerde of donker was? Wat was dat dan voor spottende grijns op het gezicht van die oudere heer? Wat was dat dan voor kutopmerking uit de bek van die oude lul? Ik ga me er niet druk om maken, dacht de schrijver. Toch had hij het gedaan. Hij hijgde eens diep en liep in een straffer tempo verder.

Er kwamen zelfs winkels in zicht. Op het trottoir liepen mensen. Mensen met een boodschappentas, mensen die een kinderwagen voortduwden, mensen die liepen te bellen.
Wacht, daar kwamen hem twee fietsers tegemoet. De schrijver sprong behendig op het trottoir, net nu er gelukkig geen wandelaars voor hem liepen.
Op de fiets zaten twee jonge meiden van een jaar of zestien. De een bereed een opoefiets en ze had een heel korte broek aan, een topje en gympies. Het andere meisje zat op een sportfiets en droeg een jurkje en een hoed op haar hoofd.
‘Hup! Hup!’ schreeuwde het kind met het hoedje. De blik uit haar ogen was uitdagend. Niet zozeer naar hem, maar meer naar het meisje dat naast haar slingerde. Maar ze riep het wel degelijk naar hem.
‘Vooruit met die kontspieren!’ gilde het andere meisje. Ze moesten allebei hard lachen. ‘Wat een sukkel ben je dan,’ hoorde hij.
Ze waren voorbij. Iedereen had de meisjes gehoord. Hij ook. En of. Snel sloeg hij af, een smalle straat in. Hier was geen fietspad en geen trottoir. De straatstenen liepen door over de gehele breedte van de weg.

Even rust. Hoe ver moest hij nog? Geen idee. Doorgaans liep hij een half uur. Bij een nieuwe route nam hij zijn telefoon mee, zodat hij in de gaten kon houden dat hij een half uur bezig was. Maar nu had hij geen telefoon bij zich. Het idee om een andere route te nemen was pas in hem opgekomen toen hij al vertrokken was.
Iemand haalde hem in. Het was een knul op een rammelende roestfiets. Zijn spijkerbroek hing wijd en laag op zijn benen. Hij droeg een baseballpet achterstevoren op zijn hoofd. Dat hoofd draaide hij naar hem toe. Even zag hij de wazige blik in de ogen van de jongen.
‘Dat kan harder,’ lispelde de knul.
Ze waren beiden aan het eind van het smalle straatje gekomen. De knul sloeg rechtsaf en reed de grote weg op.

De schrijver stopte en keek een andere kant op.
‘Maar goed,’ hijgde hij voor zich uit. ‘Maar goed dat ik ‘m niet bij me heb.’ Het grote kartelmes stond al tijden veilig in het houten blok, thuis op het aanrecht.


Apeldoorn, juni 2017

Dit is het tweeëndertigste deel van de eindeloze serie Schrijver.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over cultuur

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?