De wolf die we voeden
Door Ben Brown

Aan het einde van het jaar vertraagt er iets. Alsof de tijd zelf even achterom kijkt. Ik merk het aan mezelf: ik kijk terug. Op wat lukte, op wat schuurt, op momenten die bleven hangen. Niet zozeer op prestaties, maar op wie ik was voor anderen. Dat is misschien wel de meest eerlijke vraag die je jezelf kunt stellen.
Die vraag kwam dit jaar op onverwachte plekken. Op de markt in Apeldoorn, tussen de geur van vis en fruit, waar iemand me vertelde hoe vermoeiend het is om ongezien te zijn terwijl het leven gewoon doorgaat. Je staat midden in de drukte, maar voelt je alleen. Even later liep ik door het Orderbos, waar de stad zachter klinkt. Twee mensen groetten elkaar kort en liepen door. Geen woorden, geen uitleg, en toch voelde het als erkenning: ik zie je.
Wat ik dit jaar leerde, en volgend jaar wil vasthouden, is dit: echte impact is zelden groot of luid. Ze zit in kleine keuzes. In luisteren zonder meteen te willen oplossen. In blijven staan, ook als het ongemakkelijk wordt. In durven zeggen: ik weet het niet, maar ik wil er wel zijn.
Wat ons van nature verbindt
We leven in een tijd waarin het negatieve veel ruimte krijgt. Angst, wantrouwen en boosheid lijken soms vanzelfsprekend. Dat is geen toeval. Het is aangeleerd, versterkt en herhaald. Maar ik geloof niet dat dit onze kern is.
Als kind maakten we geen onderscheid. We speelden met wie er naast ons stond. Verbondenheid was geen doel, maar een gegeven. En oprechte humor maakte alles lichter en bracht mensen vanzelf bij elkaar. Die natuurlijke staat zijn we niet kwijtgeraakt; we zijn haar vaak vergeten.
Dat besef kwam scherp naar voren tijdens gesprekken in de stad. In Zuid, waar sportvelden en schoolpleinen ontmoetingsplekken zijn. In De Maten, waar achter voordeuren verhalen leven die zelden gehoord worden. In het Centrum, waar iedereen langs elkaar heen beweegt en toch naar verbinding verlangt. Mensen met verschillende achtergronden zaten aan één tafel. Het gesprek schuurde. Tot iemand zei: ik weet het ook niet, maar ik wil het wel begrijpen. Op dat moment veranderde de sfeer. Niet omdat alles opgelost was, maar omdat er ruimte ontstond.
Wat we voeden, groeit
Er is een oud verhaal dat me hierbij vaak te binnen schiet. Een indiaan vertelt zijn kleinzoon over een strijd die in ieder mens woedt. Een strijd tussen twee wolven. De ene staat voor angst, boosheid, jaloezie en verdeeldheid. De andere voor hoop, mildheid, vertrouwen en verbondenheid.
De kleinzoon vraagt: welke wolf wint?
De indiaan antwoordt: degene die jij voedt.
Die keuze zie je elke dag in Apeldoorn. In een blik in de bus. In hoe we spreken over buurten die we niet kennen. In het moment waarop we oordelen, of besluiten nieuwsgierig te blijven. Geen grote gebaren, maar kleine momenten die richting geven.
Apeldoorn is geen perfecte stad. Wel een stad van mensen die, vaak ongezien, proberen het samen goed te doen. Een praatje bij het schoolplein. Een helpende hand bij de kassa. Een groet die net iets langer blijft hangen. Geen headlines, wel betekenis.
Wereldvrede in Apeldoorn klinkt misschien onhaalbaar. Maar vrede begint zelden groot. Ze begint dichtbij. In de straat, op het plein, in het gesprek dat we wel of niet voeren. En uiteindelijk begint het in jezelf. Als het ons lukt om, ieder voor zich, de juiste wolf te voeden, kan er iets groeien dat groter is dan wijzelf. Niet door idealen, maar door daden. Door zachtheid zonder zwakte, eerlijkheid zonder hardheid en humor die verbindt. Dáár begint het verschil. Elke dag opnieuw. In Apeldoorn. In elkaar. In de wolf die we voeden.
