Peter en Bas: ‘Dit moet.’

Dinsdag 2 oktober 2012

Door bazbo

Zal ik koffie nemen? Weet je wat, ik neem koffie. Verhip, de kiosk is dicht. Apeldoorn, zeven uur op zaterdagavond en de kiosk op het perron is dicht. Fraai is dat. Dan maar bier. Wacht, ik heb geen bier en kan het ook niet kopen in de kiosk. Die is dicht, weet je nog wel? Daar is de trein uit Zutphen en daar is Peter. We zoenen. We hebben er zin in. Al snel komt onze trein naar Deventer. We stappen in en vinden ruim plaats. Natuurlijk heeft Peter zijn fototoestel bij zich. ‘Ik ga vanavond geen foto’s maken, hoor,’ liegt hij en hij haalt zijn camera tevoorschijn. Flits. Of nee, Peter flitst niet. We spreken over een komend fotoproject, over de nieuwe iPhone, over Zappa, over de dood, over onszelf. We stappen over in Deventer. De avond is jong; we hebben er zin in. Als we in Zwolle uitstappen, is het donker.

Door slecht verlichte achterafstraatjes lopen we naar het centrum van de stad. Ik moet plassen. Daarginds is een plantsoentje, net over de gracht. Zo, dat lucht op. Voort gaat het weer. Zwolle is mooi. Het is rustig op straat. ‘Bas, ga eens daar bij dat raam staan.’ Ik doe het ook nog. Een foto is zo gemaakt. We lachen. Lopen we goed zo? Volgens mij wel. We moeten nog een keer de gracht over en nog eens. Dan zijn we bij de zaal. Lang in de rij staan hoeven we niet. Ik peuter de kaarten uit mijn binnenzak tevoorschijn en laat ze scannen. We zijn binnen. Jas ophangen en muntjes kopen. Ik heb nog muntjes van de vorige keer, kijk maar. Wil jij iets drinken? Peter wil een rosé, ik neem een biertje. Ieder drankje kost een muntje en ik kocht acht muntjes voor zeventien euro nog iets, dus reken maar uit. Geen zin in. Wel zin in vanavond en in het concert. En in bier. Dat plastic bekertje is zo leeg. Verhip, krijgen we een voorprogramma? Halen we dan de laatste trein nog wel? Het zou om negen uur beginnen en als de hoofdact om half elf klaar is, kunnen we de trein van kwart over elf nog ruim halen. Een voorprogramma gaat dat plan flink in de war schoppen. Peter heeft zijn glaasje ook leeg. Nog een roseetje? ‘Nee, doe maar niet, want hij is eh …’ ‘Gewoon vies?’ Precies. Iets anders dan? ‘Ik loop even mee naar de bar,’ zegt hij. ‘Eens kijken of er haalbare whisky is.’ Ik grinnik en vraag aan de vent achter de bar: ‘Dag, is de whisky een beetje haalbaar?’ ‘Huh? Hoe bedoel je?’ ‘Gewoon, is de whisky haalbaar? Zo moeilijk is dat toch niet? Welke merken heb je zoal?’ Ze hebben alleen Jack Daniels. ‘Nee, die is niet haalbaar,’ zegt Peter. ‘Die moet ik niet, daar word ik alleen maar geil van.’ Het oorlogspad is begonnen. Dan maar een biertje. Slurpend kijken we naar het podium. We spreken over ochtenderecties al dan niet. We lachen, we huilen, de liefde spat in het rond. Totdat een bandje begint.

Het is hard. Peter propt zijn oordoppen in. Leuke band wel, klinkt een beetje als The Who. Nu nog met je arm zwaaiend over je gitaar raggen, jongeman op het podium. Hoe heten die kerels? The La La Lies. Stomme naam, gejat van een nummer van The Who en een La te weinig. Als je jat, doe het dan goed. Een liedje of wat is leuk, hoor. Maar niet te lang. Niet te lang, zei ik toch? Toch spelen ze nog een liedje. Gelukkig zijn de liedjes kort. Peter staat voor het podium in de vertrouwde pose met zijn camera in de hand. Ik haal nog een biertje en ga bij hem staan. Het bandje is klaar. Mooi. Hopelijk duurt het niet te lang voordat de hoofdact begint. Achter mij zie ik een meisje dat een shirtje draagt met de naam van de band erop. Er staan handtekeningen op de witte letters. Het meisje houdt haar hoofdje scheef en kijkt mij vreemd aan. Ze heeft een lichtbruine huid en zwarte kroeskrulletjes. Haar ogen zijn groot, ze kijkt door mij heen. Er staat een vrouw naast haar, die houdt haar hand vast. Wat is er met dit meisje? Op het podium knielt de toetsenist onder zijn orgel. We staan er met ons neus bovenop. ‘Succes!’ roepen we naar hem. ‘We kijken er naar uit!’ ‘Ik ook,’ lacht hij en hij verdwijnt achter het gordijn.

Ik kijk naar de setlijst die voor het grijpen op het podium ligt. Geweldig, ze gaan beginnen met de rockopera. ‘De rockopera?’ vraagt Peter. Jazeker, Peter. Op hun laatste album staat een heuse rockopera. Ik mocht de band van de zomer zien en horen tijdens een festival in Noordoost-Duitsland. Halverwege het optreden zeiden die jonge gastjes: ‘We hebben ook een rockopera geschreven en die gaan we nu spelen.’ En het was goehoed! ‘Wacht,’ zeg ik en ik trek het meisjeselastiekje uit mijn haren. ‘We moeten wel headbangen!’ Peter lacht. Maak me gek; doe je haar los. We drinken van ons bier. Misschien kunnen we beter de bus naar huis pakken; volgens mij rijden die tot middernacht. Dan hoeven we niets van de show te missen. Peter zoekt het op met behulp van zijn nieuwe telefoon. Inderdaad, we kunnen die bus van kwart voor twaalf pakken. Hoe laat is het nu?

Het licht gaat uit! Peter kijkt me aan. Zijn grote ogen glimmen. Het gaat beginnen. De drie muzikanten lopen in het donker het podium op en inderdaad, daar klinken de eerste tonen van de rockopera. Ik heb mijn fotocameraatje paraat en film. Dit moet ik vastleggen. Dit moet. Om nooit meer te vergeten. Het is goehoed. De jongens gaan uit hun dak. Wij ook. De toetsenist schudt zijn orgel heen en weer; we krijgen het bijna in onze nek. Zo moet het zijn. De tweede helft van de rockopera vind ik het best. Al filmend schud ik mijn hoofd. Mijn haren zwieren door de war. Veel te snel is het stuk voorbij, maar gelukkig komt nu die heerlijke rocker, zie ik op de setlijst. Ook maar weer filmen, dan.

Links van me zie ik het meisje met het shirtje van de band. Ze staat helemaal aan de zijkant en heeft haar handen op het podium gelegd. Haar hoofd beweegt mee met de muziek. Ze kijkt weg, maar lacht. Intens ondergaat ze de muziek. Ze lijkt me autistisch. Ik vind het mooi hoe ze in haar eigen wereldje kan zijn. De muziek en niets anders dan de muziek. Waarom is leven zo moeilijk? Gelukkig kan ik af en toe vluchten. Vanavond samen met Peter. Hij fotografeert er op los. We kijken elkaar aan, we lachen, we knikken. Zo moet het zijn. De jongens op het podium gaan op in wat ze doen. Hun haren schudden in het rond. Het is goed, het is geweldig, het is. Rock en psychadelica gaan hand in hand.

Gelukkig moet ik niet kakken. Ik mag hier zijn. Naast mij staat een prachtige meid. Geen vunze gedachten nu. Ik wil mijn arm om haar middel slaan en iets liefs in haar oor fluisteren, maar ik doe het niet. Misschien is het wel een tokkeltrut van jewelste. Nee, ik laat haar mooi en lief blijven en dus laat ik haar met rust. Ik ga beter eens plassen.

Het is rustig bij de toiletten. Ik doe mijn ding en was mijn handen. Dan ga ik naar het café, daar is de stand met de cd’s en de T-shirts. Een tientje voor een shirt? Dat is geen geld. Ik koop er eentje met het mooie logo van de band erop. Waar laat ik dat ding? Wacht, ik hang het in de mouw van mijn jasje. Dan heb ik dorst. Altijd. Ik loop naar de bar, maar mijn aandacht wordt gevangen door een man aan een tafeltje. Daar zit hij. In zijn hand een plastic bekertje met een bodempje whisky. Toch maar aan de Jack Daniels. ‘We zijn samen uit, Peter. Nu niet geil worden, hoor.’ We lachen. We leven. Ik ga nog even de zaal in. Peter blijft liever nog wat zitten; hier hoor je het ook goed.

Ik moet mijzelf naar voren wringen, wil ik een beetje beeld hebben. De band giert de bocht uit, ontspoort zelfs. Het is hard, het is freaky, maar het is gaaf. Het is warm in de zaal. Waar is die prachtige meid? Ik maak nog maar een filmpje. Om mij heen allemaal mensen die het geweldig naar de zin hebben. Gelijk hebben ze. Drie jonge gastjes op het podium en het talent gutst de zaal in. Overdonderend. Graag.

Plots is het afgelopen. Verroest. Veel te kort. Dit pikken we niet. We schreeuwen om meer. We krijgen ook meer. Er is een toegift. Goh. We laten onze lange haren nog maar eens wapperen. Lekker nummertje wel. Maar ook veel te kort. Het zaallicht gaat aan. ‘Zullen we een bus gaan halen?’ vraagt Peter. Dat gaan we.

Buiten is het koud. Ik heb mijn winterjas al aan. Wat een concert, wat waren ze goed, wat hebben we genoten. Zwolle is ook op de terugweg een mooie stad. Kijk, daar heb je het plantsoentje vlakbij de gracht. Nu moet Peter plassen. Vijf minuten later staan we op het busstation. Welke bus moeten we hebben? Deze. Hij vertrekt om tien voor twaalf. Dat is het over twee minuten. Daar komt-ie al aan. Inderdaad. We stappen in en checken in. De bus is verder leeg. We gaan rijden. We lachen nog wat. Dan zakken Peters ogen dicht. De busreis is lang. De tocht gaat door alle tussengelegen dorpen. Verhip, waar is mijn shirtje? Ik had het in mijn mouw gepropt en toen we vlakbij het busstation waren, had ik hem nog. Nu is-ie weg. Ik kijk om mij heen of het op de vloer van de bus ligt. Nee, dus. Jammer, maar helaas. Het is zoals het is. Als we in Vaassen stoppen, stappen daar plots tientallen jongelui in. ‘De ouderen gaan naar Apeldoorn naar huis; de jongeren gaan naar Apeldoorn om te stappen.’ Klopt, bij de Kerklaan stappen ze allemaal uit. We zijn er bijna. Het busstation is het eindstation. We stappen uit. ‘Ik ga vast lopen,’ zegt Peter. Ik haal mijn fiets uit de stalling en haal hem in. Het uitgaanspubliek komt ons tegemoet. Een stukje slinger ik naast hem. Nog heel even vasthouden. Dan zijn we bij de Kayersdijk. Nog een laatste knuffel. Het was gaaf, het was gezellig, het was zo dat we het nog eens moeten doen. Maar nu moet ik gaan. Ik maak vaart en verdwijn in het diepe duister. Daar is het kanaal.


Apeldoorn, oktober 2012

 

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?