Heel verhaal (2)

Zondag 22 juli 2012

Door bazbo

Marcel Mooij

 Beste trouwe lezers, de mensen vragen mij vaak: ‘Hoe kom jij toch aan dat razend knappe uiterlijk?’ Interessante vraag, ik kan niet anders zeggen.
Van mijn moeder kan ik het niet hebben. Ik zal u een geheim verklappen. Zij werd vlak na de oorlog het land uitgezet. ‘Bleekneusjes horen in de gezonde buitenlucht,’ moeten mijn grootouders hebben gedacht en zij duwden haar in een trein naar Zwitserland.

‘Bleekneusjes’, kent u die uitdrukking? Ik wel. Ik ben dan ook een zoon van mijn mama en had als kind ook een bleek neusje. De term ‘bleekneusje’ was vlak na de Tweede Wereldoorlog een begrip van formaat, met name in Amsterdam. Het kan dan ook geen toeval zijn dat mijn mama in Amsterdam woonde.
De Hongerwinter eiste haar tol: armoede heerste alom en gezinnen hadden niet veel te eten. Zo ook het gezin waarin mijn moeder woonde. Ja, zelfs mijn grootvader die slager was, had niets meer te verkopen. Die beenhouwerij van opa was trouwens ergens in de jaren dertig al op de fles gegaan. Grootvader meende er namelijk verstandig aan te doen zijn varkensslagerij te vestigen in de Joodse buurt. ‘Mijn vlees eten ze wel!’ riep hij uit. Dat bleek een ietwat verkeerde inschatting.
Het gezin van mijn moeder had het niet echt slecht, maar toch was mijn moeder na de oorlog een klein mager scharminkeltje en daar was ze niet de enige in. De lokale overheid bedacht een speciaal project voor deze kinderen: zij zouden kunnen aansterken in gebieden waar men het beter had en waar de gezonde natuurlucht hen weer op krachten zou helpen.

En dus werd mijn moeder als bleekneusje gedeporteerd naar het Oost-Zwitserse Balgach. De naam alleen al heeft iets van walging in zich: Balgach. (Tien keer hardop uitspreken vol overgeven eh overgave.) Mijn mama was een meisje van een jaar of dertien en kwam terecht in een bakkersgezin. Daar werd ze vetgemest met Kuchen, Torte en andere Backseln.
Naar die bakker ben ik trouwens vernoemd. Hij heette Albert en mijn tweede voornaam is ook Albert. Gelukkig hoef ik die tweede naam nooit te gebruiken, maar ik bedoel maar.
Later ging het allemaal veel beter met mijn moeder. Zo dik als een nijlpaard keerde zij terug naar Amsterdam, ontsnapte uit Artis, maakte de Mulo af, toen volgde iets met twaalf ambachten en dertien ongelukken, en nadat zij mijn vader wist te strikken en ze met hem was verhuisd naar het majestueuze Apeldoorn, werd zij uiteindelijk danseres bij het Groot Beekbergs Ballet. Zoals ik al eerder beschreef in mijn voorgaande boeken Alles kan kapot, Zelfmoord is een optie en Maar we leven nog, moest zij haar carrière staken nadat haar spagaat kwam vast te zitten.

Mijn vader begon nog tijdens zijn studie aan de avond-HTS zijn loopbaan als medewerker van het Luchtvaartlaboratorium in Amsterdam. Toen het Luchtvaartlaboratorium tijdens een goedbedoeld maar desondanks toch mislukt experiment van mijn vader daadwerkelijk de lucht invloog, zag hij het licht en maakte hij een overstap naar ’s lands enige en dus ook grootste gloeilampenfabriek. Hier hield hij het een tijdje vol, totdat hij terecht kwam in een tamelijk donkere periode van zijn leven. De stroom op de afdeling was namelijk uitgevallen en ook de noodverlichting functioneerde niet naar behoren.
Mijn pa, mijn held, hield het voor gezien en maakte zijn inmiddels beroemde carrièreswitch: hij werd vertegenwoordiger in plastieken afwasteiltjes. Hij kon erg goed plastieken afwasteiltjes vertegenwoordigen (alles wat hij in zich stopte hield hij binnen – al zag hij groen en geel en rood en oranje – en als je hem op de kop hield gutste alles er weer uit), maar hij wist er geen enkele te verkopen. Dat kwam zo. Mijn vader zag er niet uit.
Vanaf zijn vierde levensjaar moest hij een bril dragen van het kaliber Thermopane. Echt, de ruit van het ijsberenverblijf in Diergaarde Blijdorp en de telescooplenzen van de nationale sterrenwacht waren er niets bij. En hij had nog plus-glazen ook, dus als hij bij een huis aanbelde en de onschuldige bewoners openden nietsvermoedend de deur, dan schrokken ze zich wild. Ze zetten grote ogen op van angst. Mijn vader dacht dan dat men de draak met hem stak, ontstak zelf in blinde woede en stak – met zijn zich in zijn hand bevindende om contracten te tekenen vulpen – wild in op de potentiële klandizie, die vanaf dat moment verre van potentiële klandizie was geworden. (U merkt, we zijn inmiddels overgeschakeld op een fikse portie fictie.)

Voordat papa werd opgesloten in het plaatselijke cachot van Apeldoorn, wist hij zich nog vier keer voort te planten. Mijn oudste broer was ook al zo’n engerd. In mijn kleuterjaren wilde ik erg veel op hem lijken, begrijp je dat nou? Ach, de prille onbevangenheid van een kind kan toch vertederend zijn. Mijn oudste broer wilde maar niet zindelijk worden, de zeikerd. Toen het mijn moeder eenmaal was gelukt om hem tóch op het potje te krijgen (en dat met die vastzittende spagaat, kun je nagaan), wilde hij niets anders meer. Dagenlang zat hij erop. Zijn schoolresultaten begonnen eronder te lijden.
Mama heeft hem toen uiteindelijk letterlijk van de pot gerukt, maar ja toen vond mijn broer al snel de plastieken afwasteiltjes die mijn vader niet wist te verkopen en geloof me, dat waren er nogal wat. Stapels stonden er in de woonkamer en mijn broer gebruikte ze allemaal. Was een teil eenmaal vol, dan pakte hij de volgende. De stank in huis werd ondraaglijk, want mama was met die spagaat niet in staat om de teiltjes te legen en papa zat nu eenmaal in het gevang.

Ik ontvluchtte het huis met dichtgeknepen neus en nam mijn kleine zusje met mij mee. Mijn pasgeboren broertje liet ik thuis achter, want die kakte zelf nog in de luier en stonk daardoor ook een uur in de wind. Ik was nog slechts vijf jaren oud en zat nu opgescheept met een mormel van een zus van drie. Ze huilde de hele tijd en als ze jankte, gut wat was ze dan lelijk. Hoe hard ik haar ook sloeg dat ze ermee moest ophouden, hoe harder ze ging  krijsen. Ik was dan ook blij dat ze werd ingerekend wegens burengerucht.

Mijn jongste babybroertje heb ik nooit meer teruggezien. Ik had mijzelf namelijk te vondeling gelegd bij een welgestelde familie die mij weliswaar liefdevol opnam, maar mij vergat te vertellen dat ze op het punt stond te emigreren naar de binnenlanden van Alaska.
Daar aangekomen bleek dat ik de rest van mijn jeugd zou moeten doorbrengen in een kleine houten hut. Jaren gingen voorbij. Op een dag – het was ’s morgens vroeg, toen ik net onder de douche vandaan stapte met een ferme ochtenderectie – vroeg ik aan de heer des huttes of we weer eens teruggingen naar Nederland. Dat bleek niet het geval. Verroest, zat ik dan voor de rest van mijn leven in dat domme Alaska? Daar zag het wel naar uit. Het leek me niets. Ik besloot weg te lopen.
Dat was een stom idee. Ik heb wel vaker stomme ideeën. Een ieder kan ze nalezen in mijn boeken Alles kan kapot, Zelfmoord is een optie en Maar we leven nog.

Ver kwam ik niet. Op de hoek van de straat (Ha! Ze hebben daar helemaal geen straten! Hoe verzin ik het toch?) werd ik dusdanig bevangen door de kou dat ik totaal verstijfde. Ik was vergeten mijn kleren aan te trekken.
Gelukkig voor mij en voor dit verhaal werd ik gevonden door een allerschattigst Eskimomeisje. Zij zette, danig onder de indruk van mijn halfbevroren ochtendstijfheid, grote ogen op en dat is best bijzonder voor een Eskimomeisje. Vervolgens bracht zij mij naar haar iglo en warmde me op. Hierdoor begon de iglo te smelten. Maar heerlijk was het.
Ik vond haar erg lief en kuste haar. Zij wees naar mijn schoot. Daar hing mijn nu slappe slang.
‘Ja, die was eerder nog bevroren,’ legde ik uit. ‘Maar nu krijg ik ‘m niet omhoog vanwege de kou.’
Haar afwijzing deed mij veel pijn. Altijd gezeik met die wijven. Maar nog meer pijn deed het om te zien hoe ze, naar buiten lopend om de brievenbus te legen, werd opgegeten door een ijsbeer. Dit pikte ik natuurlijk niet. Zij was mijn eskimomeisje. En dus zei ik tegen de ijsbeer: ‘Dit pik ik niet.’
Daar schrok die ijsbeer toch wel van. Ja, ik kan soms zeer imponerend overkomen. ‘Wat kan ik doen om het goed te maken?’
Hij bracht mij terug naar Nederland.

Terwijl hij rugcrawlend de Poolzee overzwom, zat ik op zijn buik aantekeningen te maken voor wat later de boeken Alles kan kapot, Zelfmoord is een optie en Maar we leven nog zou worden.
Eenmaal vlak vóór de kust van Noord-Holland zei de ijsbeer: ‘Het water is me hier te warm; ik ga weer terug.’
‘Muiterij!’ riep ik, maar bij gebrek aan overige bemanning, sprong ik van zijn buik en waadde naar het strand. Al mijn aantekeningen nat.
De ijsbeer werd door de kustwacht gearresteerd en overgebracht naar Diergaarde Blijdorp, waar een van zijn nakomelingen later nog geschiedenis schreef met het vernielen van de ruit van het ijsberenverblijf. 
Ik ging liften naar het eerder genoemde majestueuze Apeldoorn, maar het duurde een jaar of wat voordat iemand eindelijk eens voor mij stopte. Niet iedere automobilist neemt zomaar een naakte vent mee. Bovendien, bij grote snelheid konden ze niets zien van dat razend knappe uiterlijk van mij. Wacht.

Zo komen we weer terug op die ene vraag die men mij vaak stelt: ‘Hoe kom jij toch aan dat razend knappe uiterlijk?’
Nou, beste trouwe lezers, dat is nog een heel verhaal.


Apeldoorn, juli 2012

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?