Hoewel

Zondag 23 september 2012

Door bazbo

Marcel Mooij

Is ze het? Ze is het. Volgens mij wel. Ik haal het sleuteltje uit mijn slot en ga weer rechtop staan. Tussen mijn fiets en die van haar staan er nog zo’n vier. Ook zijn er nog wat lege rekken.
Er komt een jongetje bij haar staan. ‘Hier is het muntje,’ zegt hij. Ze pakt het aan. De jongen is een jaar of zes. Hij gaat aan haar zadel hangen, alsof hij al achterop wil springen.
‘Even wachten,’ lacht ze. ‘Ik moet hem toch eerst nog uit het rek halen? En dan moet ik er eerst nog op zitten.’ Ze heeft een halflange zwarte jas aan. Haar haren zijn korter geknipt; het staat haar fris en jeugdig. Toch vond ik haar lange krullen ook mooi.
Ik herken haar in het gezicht van de jongen. Dezelfde grote heldere ogen. Hetzelfde mondje, met die lach. Hetzelfde mondje, waar voortdurend geluid uit komt. Ze is het.
Ik graai in mijn broekzak of ik nog kleingeld heb voor een winkelwagentje. Eigenlijk kom ik nooit meer in deze supermarkt. Het assortiment is me te klein en de schappen zijn me te leeg. Maar hij is dichtbij; ik hoef maar twee minuten te fietsen en dan ben ik er al. Een grotere winkel is tien minuten verderop; daar hebben ze wel altijd alles.
‘Wat zei ik nou? Wacht gewoon even.’ Tevergeefs trekt ze de jongen van de fiets vandaan. Hij heeft zijn been al over de bagagedrager heen geslagen.

***

Dit hadden we wel eens eerder meegemaakt. Maar toen was het een broeierige nacht; nu was het gewoon koud. De regen had de hele avond geplensd. Nu, na middernacht, regende het nog steeds hevig. Met een paar andere lui zat ik nog wat te drinken.
‘Ik ben benieuwd of de kinderen het droog houden,’ zei ik en ik stond op. Ik pakte mijn paraplu en liep de tent uit.
Het was in de zomer ergens eind jaren negentig en ik was vrijwilliger bij een kindervakantie. Met dertien man leiding organiseerden we ieder jaar een vakantieweek voor vijftig kinderen uit Apeldoornse ‘kansarme gezinnen’. Dit keer hadden we onze tenten opgezet op een camping in Noord-Drenthe, vlakbij de Appelschase bossen.
‘Bas!’ hoorde ik haar stem van ver weg. Ik zag een zaklamp schijnen en liep erheen. ‘Ik kon niet slapen,’ zei ze, toen ik bij een van de slaaptenten was aangekomen, ‘en ben voor de zekerheid bij de kinderen gaan kijken.’
‘En?’ vroeg ik.
‘De hele boel staat binnen onder water.’
Ik stak mijn hoofd de tent in. Overal zaten angstige kindjes rechtop op hun luchtbedden. In de verte weerlichtte het.
‘Ze drijven bijna letterlijk de tent uit.’
‘Dan gaan we verhuizen,’ zei ik. ‘Kom, allemaal naar de busjes.’

Ons idee werd opgepakt door de anderen. Al snel waren alle kinderen en begeleiders druk in de weer. De luchtbedden lieten we achter in de tenten, maar alles wat nog een beetje droog was pakten we op en brachten we naar de busjes.
Ik hielp haar mee met de kinderen uit haar groepje en hun spulletjes. Ze liep op blote voeten door de stromende regen met een kindje op de arm en een grote tas. Even keek ik naar haar. Kennelijk was ze uit haar eigen slaapzak gesprongen en zo naar de tent van haar groepje gelopen. Ze had niet meer aan dan een onderbroekje met bloemetjes erop en een veel te kort T-shirtje. Haar lange haren hingen in kletsnatte strengen langs haar hoofd.
Nog geen tien minuten later was iedereen in veiligheid. Ze kwam dicht bij me onder de paraplu staan.
Ik keek haar aan, glimlachte in haar ogen en legde een arm rond haar middel. ‘Hoe gaat het?’ Haar T-shirt was drijfnat.
‘Pff,’ zuchtte ze. ‘Ik ben doodop.’
‘Je hebt je best gedaan,’ zei ik. ‘Maar zou je niet iets droogs aantrekken?’
‘Mag ik gaan slapen?’
‘Van mij wel.’
‘Ik ga bij de kinderen in de bus zitten. Ik wil ze niet alleen laten.’ Daar ging ze. Ze opende het portier van het busje en ging op de passagiersstoel zitten. In het schijnsel van het lampje in de cabine zag ik het kippenvel op haar slanke benen.

We gooiden het programma van de volgende dag rigoureus om en besloten met de kinderen een dagje naar een subtropisch zwemparadijs te gaan. In de tijd dat we van de camping weg waren, konden enkele andere vrijwilligers de ravage op het terrein opruimen en alle natte spullen wassen en drogen. De voorraadtent was gelukkig droog gebleven. ’s Morgens vroeg smeerden we boterhammen voor iedereen en snel gingen we op weg.
Halverwege de rit hield het op met regenen en stopten we op een parkeerplaats vlak langs een grote drukke weg. Hier gingen we ontbijten.
Ik stapte mijn bus uit en ging op zoek naar een geschikte plek voor de picknick. Kijk, daar kwam zij ook uit haar busje. Ze liep nog altijd in d’r onderbroekje en d’r T-shirt.
‘Beetje geslapen?’ vroeg ik.
‘Nauwelijks. De kinderen hadden het koud en ik ben druk bezig geweest om ze allemaal droog toe te dekken.’
‘Je bent een kanjer,’ zei ik.
‘Is het hier niet veel te gevaarlijk, zo vlak langs de weg?’
Samen keken we. De auto’s raasden met hoge snelheid langs ons heen. Aan de overkant van de weg zagen we een klein rood katje, dat ging oversteken. Ze maakte een gekke hoge sprong en dook voor een auto. Ik draaide mijn hoofd weg en hoorde een malle klap.
Ze gilde, sprong naar mij toe en begroef haar hoofd in mijn armen. Haar T-shirt en onderbroekje waren weer droog, voelde ik. Even gleden mijn vingers door haar stugge, lange krullen.
Een stoere collegaleider liep naar het hoge gras waar het beestje naartoe was geslingerd.
‘Ik durf niet meer te kijken,’ zei ze.
Even later kwam de stoere collegaleider teruggelopen. ‘Ik ga mijn handen wassen bij die benzinepomp verderop,’ zei hij van een afstand.
‘Hoezo?’
‘Och, dat katje leefde nog. Ik heb het even de nek omgedraaid.’
Ja, die was toen opeens de held. De lul.

***

‘Maar ik wil achterop,’ zegt de jongen met een zeurtoon.
‘Dit gaat niet goed zo,’ hoor ik haar.
Een jaar of wat geleden kwam ik haar hier bij de winkel ook al tegen. We raakten aan de praat. Ze bleek een huis vlakbij mij in de buurt te hebben gekocht. ‘Ik woon er samen met mijn vriend,’ vertelde ze. Een vriend. Ach zo. Nog weer een tijdje later duwde ze een kinderwagen voor zich uit. Erin lag een mooi jochie met ogen die ik gelijk herkende. Het mondje trouwens ook.
De jongen springt op één been en met zijn handen aan de bagagedrager achter de fiets aan. ‘Ik wil er-oh-hop!’ roept hij nog een keer.
Ik loop naar de rij met winkelwagentjes.
Dan ziet ze mij. ‘Hoi,’ zegt ze op een toontje alsof ze nooit is weggeweest.
‘Hoi,’ lach ik terug. ‘Alles goed?’
‘Ja hoor, met mij is alles goed. En met jou?’
Met mij? Met mij ook.
Hoewel.


Apeldoorn, september 2012

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?