Schijtzooi (2)

Zondag 22 april 2012

Door bazbo

Marcel Mooij

Deel 1 leest u hier.

Om half een mag ik van de nieuwe werkplek naar huis. Het is zonnig en dan is het fijn fietsen. Thuis maak ik een tosti of twee. Zowaar, ze smaken. ‘Mijn galgemaal,’ grinnik ik. Valt er iets te grinniken? Ik weet het niet. Het kan me niet schelen. Ik spoel mijn onwetendheid en mijn nonchalance weg met drie grote glazen water. Het is twee uur en vanaf nu mag ik niets meer eten.

Twee uur later kan ik beginnen. In de doos zitten vier sachets. ‘Colofort’, staat erop. Ik haal er eentje uit de doos en leeg die in een karaf. Vervolgens pak ik een groot pak Bar-le-Duc uit de koelkast en vul ik de karaf tot aan de rand. Met de achterkant van een houten lepel roer ik net zo lang tot het witte poeder is opgelost. Dan giet ik een groot glas vol. Ik zet het aan mijn mond en drink en drink en drink. Zo, het eerste glas van vandaag zit erin. Nu nog maar zeven.
Ik moet ieder uur een zakje Colofort, opgelost in een liter water drinken. Daarnaast is het verstandig om nog een liter of anderhalf extra tot me te nemen. In het begeleidend schrijven lees ik een smaaktip: druppeltjes citroensap toevoegen. Ik doe het. Klok klok klok. Ieder kwartier een groot glas. Na een uur gaat ook het tweede sachet eraan. Inmiddels rommelt het volop in mijn buik. Niet erg, dat geborrel. Minder zijn die krampen.

Ik kijk op de klok. De twee zakjes voor vandaag zijn op. Het is vijf uur en ik weet nu zeker: het begint. Ik moet naar de wc. Iedere vijf minuten komt er een golf. Ik durf mijn achterkant niet te hard schoon te poetsen. Straks schuurt de hele boel open en dan wordt het pijnlijk. Ik moet nog zo vaak. Zachtjes deppen, dus. Heeft het wel zin dat ik het schoonmaak? Pffffffrtttt, daar is nog een golf. Ik spoel weer door. Wat een waterverbruik. Een hoop Ajax Eucalyptus giet ik na iedere keer spoelen en poetsen in de pot. Na een uur poep ik geen poep, maar rioolwater.
Om zeven uur lijkt de rust in mijn lijf wedergekeerd. Af en toe nog moet ik naar het toilet.
’s Nachts slaap ik zowaar. Slechts twee keer word ik wakker en moet ik weer.

Ik sta op en ga douchen. ‘Koffie,’ mompel ik. Maar dat mag ik niet. Slechts water.
Om tien uur open ik het derde zakje en begin ik aan de derde liter kaksap. Binnen een half uur zit ik op het toilet. De poeptsunami gaat weer verder. Het is gelijk lichtbruin water. Naarmate de morgen vordert, verandert het in geel naar lichtgeel. Om twaalf uur, als het vierde zakje en de vierde liter weg is, is mijn waterpoep lichtgroen. Persen hoeft niet. Het loopt er zo uit. Wat er in de wc ligt, lijkt wel schoonmaakmiddel. Toch poets ik iedere keer weer. In totaal heb ik nu drie flessen Ajax de plee ingegoten.

Ik typ een mail naar mezelf. ‘Liefste,’ begin ik, ‘je moet er niet aan denken, maar ik deed het toch. Mocht het vandaag anders gaan dan we hopen, dan zijn hier mijn laatste wensen. Vier mijn afscheid als The art of parties. Met dank aan David Sylvian.’ Ik typ er nog wat andere dingen achteraan. En dan: ‘Liefste, het was me een waar genoegen met je te hebben mogen leven. Ik heb waarachtig van je genoten. Weet.’ Dan stuur ik de mail naar onszelf en zorg ervoor dat Vrouwlief geen kans krijgt hem te lezen voordat we vertrekken.

Om half twee is Marja er. Die brengt ons naar het ziekenhuis. Als je geen auto hebt, kun je maar beter goede vrienden hebben die er wel eentje hebben.
Onderweg maken de dames grappen. Kan ik lachen? Nee, ik kan niet lachen, maar ik doe net alsof. Ik voel een nieuwe golf lichtgroen water zijn weg zoeken naar mijn endeldarm. Gelukkig is het niet ver naar het ziekenhuis. Als ik de grote hal binnenloop, zoek ik gelijk het toilet op.
Vervolgens gaan we naar de tweede verdieping. Route 170. Afdeling Endoscopie. We mogen plaats nemen in de wachtkamer. Het is stil. Woorden zijn niet meer nodig.

‘Meneer Langereis?’ hoor ik een mevrouw zeggen. Ze spreekt met een Duits accent. Het klinkt als: ‘Meinhehr Langerais?’ In de deuropening staat een blonde tante met een bril en een lichtgele doktersjas aan.
Ik sta op, loop op haar af en geef haar een hand. ‘Bas,’ zeg ik.
Ze leidt me naar een kamer even verderop. ‘Trekt u hier uw broek en onderbroek en schoenen oit,’ zegt ze. ‘U kunt uw spullen hier kwait. Gaat u dan op het bed liggen.’ Ze schuift het gordijn om me heen dicht.
Ik doe alles wat ze zegt. Thuis ben ik niet zo meegaand. Wacht! Ik heb Vrouwlief helemaal geen gedag gezegd! Ik heb haar zonder iets te zeggen achtergelaten. Wat een lul ben ik. Alsof de wereld alleen om mijzelve draait.
‘Bent u soweit?’ klinkt het buiten het gordijn. Of lijkt het te klinken.
‘Jazeker,’ zeg ik. Het gordijn schuift open. Daar is de Duitse dokter weer.
Ik ga op het bed zitten en sla het lakentje over me heen. Gelukkig heb ik een groot shirt aan met de kop van Frank Zappa erop. Zo ziet ze m’n dingesje niet bungelen.
‘U kraicht nu ain infuusnahld in.’

Aan mijn voeteneind verschijnt een jonge zuster. Ze heeft een witte jas aan met korte mouwtjes. Haar donkere ogen leiden de aandacht van alles af. ‘Waar wordt u het liefst geprikt?’ vraagt ze.
‘Nergens,’ zeg ik.
Ze lacht.
‘Doe maar aan de rechterkant.’ Ik bied haar de rug van mijn rechterhand aan.
‘Maakt u maar een vuist.’
Ik doe het. Mag ik haar neerslaan? Zal ik haar neerslaan? Ik doe het niet.
Ze kan de ader niet vinden, hoe vaak ze ook klopt en knijpt. Ik vind het wel prettig hoe ze mijn hand betast. Ze heeft zachte en warme handen. Haar halflange haren lijken een beetje vettig. Af en toe kijkt ze me aan en glimlacht. ‘Misschien lukt het beter hoger in de arm.’
Ik draai mijn hand. Haar vingers glijden omhoog. ‘Ja, dit is veel beter. Hier zie je ‘m zo liggen. U krijgt nu een prikje.’
Ik voel niets. Ik kijk naar haar gezichtje. Ze is geconcentreerd bezig, vlak bij mij. ‘Dag leuk meisje,’ zeg ik zonder geluid. ‘Mijn laatste glimlach is voor jou.’
‘Gaat het?’ vraagt ze.
‘Ik voel niets, joh,’ zeg ik.
‘Hij zit erin.’
‘Dank je.’
Het meisje lacht en verwijdert zich.

‘Dan breng ik u nu naar herr dokter Rolfs,’ zegt de dokter. Ze haalt het bed van de rem en rijdt mij de gang in. Gelijk de eerste deur links moeten we zijn. In de onderzoekskamer staan twee personen te wachten: een jonge knul en een oudere man. De jonge knul komt op mij af. Hij noemt zijn naam, die ik onmiddellijk vergeet. De oudere man schudt mijn hand. ‘Dokter Rolfs,’ zegt hij. Ook een Duitser. Als dat maar goed gaat.
Ik ben hier niet. Dit gebeurt ook niet. Ik krijg twee zuignappen op mijn borst en een knijpertje aan mijn linkerwijsvinger.
‘U krijgt ook een slangetje in uw neus,’ zegt de jonge knul. ‘Voor extra zuurstof.’
Moet ik hem bedanken? Ik kijk iets opzij. Herr dokter Rolfs zit op een kruk te kijken. Naast hem staat een immens apparaat met een lange arm. Op een beeldscherm zie ik iets dat lijkt op een tunnel. En welk ding gaat dan zo meteen in m’n eh …?
‘Eehrste kehr?’ vraagt de dokter. Eerste keer, Herr Scheiβdoktor.
Een zuignap schiet los. ‘Dat heb je zo met al dat borsthaar van u,’ zegt de jonge knul.
Ik ben niet in de gelegenheid voor zinloos geweld.
‘Draait u zich nu op uw linkerzij,’ zegt hij.
Ik doe het.
‘Dan breng ik nu het medicijn in voor de lichte narcose.’
‘Dit was het dan,’ denk ik. ‘Dit is het einde. Vaarwel, Grote Boze Wereld.’
Ik doe mijn ogen open. Daar ben ik weer. Ik lig in de uitslaapkamer. Vrouwlief zit naast mij. Alles is goed.

Een dag later fiets ik naar de nieuwe werkplek. Onderweg denk ik na over wat er allemaal is gebeurd.
Allemensen, wat was ik bang. Allahmachtig, wat viel het allemaal mee.
Als voorlopige uitslag kreeg ik direct mee: in eerste instantie is er niets te zien. Wel is er iets op kweek gezet en over een week mag ik de definitieve uitslag bij de huisarts ophalen. De opluchting is groot.
‘Jij hebt geen kanker,’ zei Vrouwlief nog, een dag voor het onderzoek. Zij kan het weten. Zij weet alles. Zij is alles. Hoe zij me er toch iedere dag weer doorheen loodst, door dit Raadsel dat Leven heet, dat is toch iedere keer weer het Wonder van de Dag.
De zon schijnt. Ik fiets langs het kleine weilandje. Achter het prikkeldraad loopt een schaap. Haar vier pasgeboren lammetjes dartelen om haar heen. Plots kan niets me schelen. Ik rem af en stop. Dit moet ik even zien.
Een van de lammetjes kijkt me aan en zegt: ‘Beeeh.’
Ik leef. Ik huil.

‘Life’s a piece of shit
When you look at it
But always look on the bright side of life’
– Eric Idle


Apeldoorn, maart 2012


Naschrift voor de nieuwsgierigen:
Einduitslag: alles helemaal in orde. Nou, gelukkig. Hele opluchting. Maar wat zou er dan aan de hand kunnen zijn? Ik mag dan niet allergisch zijn voor zekere voedingsstoffen, misschien toch wel ‘gevoelig’. De komende tijd houd ik mijn voedingspatroon goed in de gaten. Het zal toch niet de drank zijn? En over zes jaar een nieuw onderzoek, vanwege de ‘familiaire belasting’. Ik kom nu alweer poep te kort.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?