Stoppen (S022)

Zondag 3 juli 2016

Door bazbo

Marcel Mooij

Nee, dat deed de schrijver niet. Hij had het wel degelijk gezien en hij herkende het gelijk. Het was een grote bonte specht. Normaal gesproken zou hij nu stilstaan en er dan minutenlang naar blijven kijken. Maar hij wist: als hij nu zou stoppen, dan was hij helemaal uit zijn ritme. Dus liet hij het gehamer op de boom, dat ergens hoog boven hem klonk, voor wat het was en rende hij verder. Of de duvel ermee speelde. Midden op het fietspad waar hij draafde, zat een kwikstaartje.
Doorlopen moest hij. Want als hij eenmaal stilhield, ging het lopen de rest van de tocht niet goed en zou hij om de haverklap een wandelpauze moeten inlassen.

De schrijver liep lekker. Er waren tegenwoordig niet meer zo veel momenten dat hij trots was op zichzelf, maar als het hem lukte om dertig minuten onafgebroken te rennen, dan voelde hij zich moe maar voldaan. Dan was de inspanning het hem waard. Dubbel en dwars. Ging het vandaag weer gebeuren?
De tegenwind raasde door zijn haren. Je kon echt merken dat het ’s avonds langer licht bleef. Vaak ging hij pas na half negen de deur uit en ondertussen was het niet langer schemerig of zelfs helemaal donker. Er liepen nog volop mensen over straat. De schrijver wilde het liefst niet gezien worden als hij aan het hardlopen was. Daarom koos hij voor een route over afgelegen wegen, door stille parken en langs verre velden.
Hij had het ook wel eens een paar keer ’s morgens vroeg geprobeerd, maar dat was geen succes. Al snel had hij allerlei pijntjes en kramp, plus hij hield het maar tien minuten vol. Toen móést hij al aan een wandelpauze beginnen en na nog een stukje rennen koos hij voor een sterk ingekorte route. Nee, hij hield het bij de avonden. Iedere morgen een goede wandeling en drie keer in de week ’s avonds een fikse ronde hardlopen. Dat was zijn stramien.

Als zijn veters maar niet los gingen zitten! Bij vertrek had hij ze goed gecontroleerd en voor de zekerheid opnieuw strak gestrikt. Het zou hem niet gebeuren dat hij halverwege was en de lange zwarte veters langs zijn kuiten voelde zwiepen. Als hij ze niet gelijk vast zou maken, kon hij struikelen en dat moest hij niet hebben op het paadje vol grint waarop hij nu liep. Het gebeurde niet. Gelukkig maar.
Dat paadje kwam uit bij een grotere weg. Het laatste lange stuk kwam in zicht. Nog deze weg aflopen en dan was hij op de hoek van de straat bij zijn huis. Een minuut of acht tot tien, was zijn inschatting. Het fietspad waarop hij liep was al wat ouder; het rode asfalt leek te veren onder zijn schoenen.

Na enkele minuten kwam hij langs het monumentje dat in de berm stond. Het bestond uit twee kleine grafsteentjes. Ernaast, op een stoeptegel, stond een vaasje. Van het bloemetje dat erin had gestaan was enkel nog een dorre stengel over. Het gras om de tegel tierde welig. Even viel zijn blik op het zwarte marmer en las hij de twee namen, die hij nauwelijks kon uitspreken: Karan en Gökhan.

Hij herinnerde zich het ongeluk maar al te goed. Nu alweer zo’n acht of tien jaar geleden stapte hij op een donkere avond iets verderop uit de bus en wilde naar huis lopen. De weg was afgezet. In de verte zag hij meerdere blauwe zwaailichten. Overal stonden mensen in groepjes met elkaar te praten. ‘Erg hè,’ zei iemand tegen hem, zonder dat hij wat gevraagd had. Hij had maar geknikt. ‘En zo jong nog. De bocht daar is niet eens scherp, dus kun je nagaan hoe hard ze moeten hebben gereden. Er is niet veel over van hun auto.’ Hij had gerild en was snel naar huis gegaan.

Eigenlijk vond hij dat hij uit beleefdheid of respect voor de overledenen zou moeten stilhouden, maar hij deed het niet. Wel boog hij zijn hoofd naar het zwarte marmer. Het was het minste dat hij kon doen.
En voorbij was hij. Nu nog maar even. Het werd zwaar, maar hij hield vol. Vier stappen inademen en vier stappen uitademen lukte hem bijna niet meer. Er liep een straaltje zweet in zijn nek. Hij had het warm. Heel warm. De veters van zijn gifgroene schoenen zaten nog vast.

Maar toen! Wat was dat? Op het fietspad kwam hem iemand tegemoet. Het was een jonge vrouw. Ze minderde vaart en zette een voet aan de grond. ‘Meneer,’ zei ze, toen hij vlakbij was. Ze keek hem vragend aan. ‘Mag ik u iets vragen?’
Hij moest stoppen. Hij kon niet anders. Met dank aan zijn opvoeding en zijn angst om iemand te kwetsen.
‘Weet u waar Rood-Wit is?’
Was dit een vraag? Wat is Rood-Wit? ‘Is dat de voetbalvereniging?’ vroeg hij hijgend. ‘Dan moet je gewoon rechtdoor en na een halve kilometer rijd je erlangs.
‘Fijn. Dank u wel, hoor.’ Ze maakte weer vaart en reed door.

Dit soort dingen moeten ze niet doen, dacht hij. Dit was niet eens een aantrekkelijke vrouw, maar ook van een wél aantrekkelijke vrouw had ik het niet fijn gevonden dat ze me zou hebben aangehouden.
De schrijver was helemaal uit zijn ritme en besloot de laatste honderd meter maar gewoon te wandelen. Het opborrelende gevoel van totale mislukking was ook niet te stoppen.


Apeldoorn, juni 2016

Dit is het tweeëntwintigste deel uit de eindeloze serie Schrijver.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over cultuur

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?