Stuk (S023)

Zondag 31 juli 2016

Door bazbo

Marcel Mooij

Zou ze van dichtbij ook een lekker stuk zijn? De schrijver schrok van zijn gedachte. Normaal waren zijn invallen nooit zo platvloers. Maar hoe normaal was hij eigenlijk? Wat is in wezen de betekenis van ‘normaal’? Zit daar niet het woord ‘norm’ in? Over wiens normen hebben we het hier? Die van hemzelf toch? In dat geval: hij dacht zelden zo platvloers, dus was het voor hem niet normaal dat hij zich afvroeg of de vrouw in de verte een lekker stuk zou zijn. Even terug naar de werkelijkheid: zo van een afstandje zag ze er best aardig uit. Over niet al te lange tijd zou hij het weten; hij liep immers haar kant op.

Ondanks dat het een vroege zomermorgen was, was het niet al te licht. Het donkergrijze wolkendek zat potdicht. Gelukkig viel er geen regen. Niet dat de schrijver dat erg zou vinden. Hem maakte het niet uit; hij liet daar zijn humeur niet door beïnvloeden. Zijn stemming was de laatste tijd redelijk stabiel en áls hij ergens door beïnvloed werd, dan toch zeker niet door het weer.
De mevrouw iets verderop kwam dichterbij. Met iedere stap die hij deed.

Ze stond stil. Te wachten, was zijn idee. Op een collega of zo met wie ze carpoolde. Ze droeg een spijkerbroek en lichte zomerjas. Haar blonde haren had ze opgestoken. Hoe oud zou ze zijn? Hij schatte halverwege de veertig, maar hij kon er net zo goed tien jaar naar boven of onder naast zitten. Om het juister in te schatten zou hij haar goed in haar gezicht moeten kijken. Nog heel even en dan was hij dichtbij genoeg om dat te doen.
De mevrouw stond midden op het trottoir. Hij was nog maar een meter of drie van haar verwijderd en ze had hem nog niet opgemerkt. Ze keek naar de straat. Hij moest wat om haar heen lopen en dus stapte hij van het trottoir af en ging hij op het fietspad verder.

Plots raasde iemand hem van achter voorbij. Iemand op een fiets. De schrijver schrok ervan. Hij had ‘m niet horen naderen. Aan de beweging van de fietser maakte hij op dat die had moeten uitwijken.
‘Kijk uit, mongool,’ siste de man. Zijn rechterhand hield het stuur bij het handvat omklemd. In zijn andere hand hield hij een telefoon voor zich uit. Overdwars. In de oogwenk die de schrijver had om een blik op het telefoonscherm te werpen, zag hij dat er bewegende beelden te zien waren. Zag hij dat nou goed? Was die man tv aan het kijken? Op de telefoon? Op de fiets? Om half zeven ’s morgens? En was hij zelf een mongool? Hij was misschien niet normaal, zoals hij even daarvoor nog had overdacht, maar een mongool? Nou ja, zeg.

Terwijl hij nadenkend verder liep, werd hij wederom ingehaald. Ondertussen was hij de mevrouw ver gepasseerd en hij had totaal geen enkele glimp van haar gezicht opgevangen. Of ze dus tien jaar jonger of ouder was dan hij van veraf inschatte, kon hij niet nagaan. Hij durfde zich niet goed om te draaien, ook al liep hij weer op het trottoir. De persoon die hem inhaalde was een andere vrouw en ze reed op een fiets, dat zag hij wel. Ze had dikke ogen, een dik gezicht en zat met een dikke derrière op het zadel. Haar rechterhand die ze naast haar dikke dij liet hangen hield een sigaret vast.
Hij wist het. Als hij gezond leefde, op tijd opstond, veel bewoog, ’s morgens uit wandelen ging, zo veel mogelijk biologisch at, veel water en geen alcohol meer dronk, dan voelde hij zich lekker in zijn lijf. Zó lekker in zijn lijf en zo gelukkig ook, dat hij weer zin kreeg in het leven. Met schaamte moest hij echter vaststellen dat de aanblik van mensen om hem heen zoals de mevrouw die hem zojuist had ingehaald, hem alle levenslust ontnamen.
Het begon lichtjes te regenen. Toch. De schrijver kreeg de pé in. Toch. Wat kregen we nu? Hij zat niet te wachten op een terugval. Niet nu. Niet nu. Nooit niet.

Maar wat was dat? De schrijver vergat zijn sombere gedachte en keek zijn ogen uit.
Van iets verderop kwam iemand aan. Geskeelderd. En plots was de lichte regen weer weg. De zon brak zelfs door. Wat krijgen we nu, dacht hij. Hij keek tegen het zonlicht in. Is het een man of een vrouw die daar naderbij gesneld kwam? Hij zag een fel groengekleurd shirt, een korte wielrenbroek, mooie benen, ronde lichaamsvormen. Het was een vrouw. Op haar hoofd zat een veiligheidshelm. Zo eentje die sommige fietsers ook droegen. Eronder vandaan kwamen halflange donkerblonde haren gezwierd. En dan haar gezicht. Hij zag heldere ogen die hem vrolijk aankeken. Ze lachte haar witte tanden bloot.
‘Hai!’ zei ze vanaf een afstandje. Haar stem klonk duidelijk en opgewekt.
De schrijver moest ook lachen. ‘Hoi, goedemorgen,’ zei hij.
Toen was ze voorbij. Toch kon zijn dag kon niet meer stuk.


Apeldoorn, juni 2016

Dit is het drieëntwintigste deel uit de eindeloze serie Schrijver.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over cultuur

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?