Wangen (S027)

Zondag 20 november 2016

Door bazbo

Marcel Mooij

Rode wangen had het kindje. Ze zette zich met beide voeten af, trok haar benen iets omhoog en reed een stukje. Toen ze bijna stil stond, zette ze haar voeten weer op de grond en maakte ze weer vaart. ‘Wacht je even, Eva?’ klonk het.
De schrijver liep langs de roze loopfiets en keek verder. Twintig meter achter het meisje wandelde een vrouw. Ze duwde een kinderwagen voor zich uit. Kennelijk de moeder van Eva, schatte hij in. Het hoefde natuurlijk niet. Het kon ook de oppas zijn. Voor nu hield hij het op de moeder. ‘Eva!’ riep ze. ‘Wachten!’

De schrijver vond Eva een mooie naam. Eva. Vrouw. Had hij niet een nicht die Eva heette? Hij had die nicht al een tijd lang niet gezien. De laatste keer was ruim vijfentwintig jaar geleden, op een feest van hun gezamenlijke grootmoeder en grootvader. Ze moet toen een jaar of achttien zijn geweest en hij herinnerde zich vooral dat hij haar een heel mooie meid vond. Dan was ze nu minstens drieënveertig. Zou ze nog steeds een mooie meid zijn?
Over mooie meiden gesproken: wat haalde hem daar nou in?

Ze was aan het hardlopen. Feloranje sportschoenen, strakke zwarte legging, blauw shirt. Haar donkerblonde haren had ze in een knotje opgestoken. Je zag dat wel vaker bij meisjes en vrouwen. Hoe kregen die meiden dat toch voor elkaar, zo’n drol op d’r kop? En zouden er ook kerels zijn die dat echt leuk of mooi vinden? Lang kon hij niet naar het bungelende knotje kijken, want zijn aandacht werd afgeleid door de fikse billen die op en neer hupsten. De schrijver zou er bijna opgewonden van raken. Dat werd hij niet. Nee, hij vond haar leuk om naar te kijken, maar dat was meer vanwege de vreugde en energie die de hardloopster uitstraalde.

Hij had wel stil willen blijven staan om te kijken naar de jonge moeder, naar Eva en naar de hopsende hardloopbillen, maar hij deed het niet. Niet dat hij veel omhanden had. Geen planning, vandaag. Alleen maar leuke dingen doen.
Inmiddels was de hardloopster de hoek om gerend. Zelf had hij zich steeds verder verwijderd van de kinderwagen en de loopfiets. Er stond een kille herfstwind en de lucht was grijs. Hij snoof de kou naar binnen. Ook hij was op de hoek van de straat. Hij sloeg linksaf.

Aan de rand van het pleintje stond een groepje jongeren. Een stuk of wat jongens en een paar meisjes, zo zag hij. Een boel scheuren in de spijkerbroeken en blote knieën. En dat voor de tijd van het jaar, grinnikte hij in zichzelf.
Toen hij vlakbij was om ze te passeren, gebeurde er iets.

Een van de jongens gaf een andere een duw en deed toen een stap achteruit. ‘Vuile kankuhhoowmoow!’
De ander deed juist een stap naar voren, stak zijn vuist omhoog en antwoordde: ‘Wat nou? Wat nou?’
Hij was nu zo dichtbij, dat hij de verhitte adem kon ruiken en de ziedende blikken voelde steken. Alsof hij er tussenin stond.
Vanuit het niets kwam er een andere knul aangevlogen, vlak voor hem langs. De jongen dook met gestrekt been vol in op het lijf van een van de scheldende knullen. Tijdens welke amateurvoetbalwedstrijd dan ook zou hij een rode kaart hebben gekregen. Hier niet. De aangevallene wankelde, maar hield zich staande. Er liep bloed door zijn gezicht.
Schreeuwende stemmen klonken door elkaar.
‘Ja? Ja?’
‘Wat wou je nou?’
‘Dood moet jij.’
‘Vuile kankuhhoowmoow!’

De schrijver liep door. Hij legde zijn hand op borsthoogte op zijn jas en voelde. Het grote kartelmes had hij niet bij zich. Het zat niet in de binnenzak van zijn jas, maar stond veilig thuis op het aanrecht in het houten messenblok. Tranen stroomden over zijn wangen.


Apeldoorn, oktober 2016

Dit is het zevenentwintigste deel in de eindeloze serie Schrijver.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over cultuur

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?