Zicht (S031)

Zondag 7 mei 2017

Door bazbo

Marcel Mooij

Aan de ene kant was het maar goed dat de ondergrond zacht was. Mocht er een steen of tak op het pad liggen, dan zou hij zich niet al te zeer bezeren en forceren. Anderzijds: nu zag hij eventuele plassen niet en liep hij het risico van natte voeten. Zijn hardloopschoenen waren niet waterdicht. Zie, daar was het eind van het pad al. Het licht van de straatlantaarn deed hem bijna pijn in zijn ogen. Lang hoefden zijn ogen niet aan de felheid ervan te wennen.
Zijn route ging nu een stukje over het asfalt. Onmiddellijk voelde hij dat het zijn knieën belastte en hij paste zijn tred iets aan. Veerkrachtiger, zo danste hij bijna door de avond. Veerkrachtig, dacht hij, er zijn momenten dat ik het zelf ook weer ben. Het lopen zou hem helpen, had zijn behandelaar hem verzekerd. Die loog of goog of jater had gelijk gekregen. Het helpt.

Hop, met een sprongetje verliet de schrijver de asfaltweg en ging hij het park binnen. Het was een statig park in een dure buurt. Veel gazon, ruim aangelegde vijver en weinig tot geen verlichting. Zijn ogen waren snel gewend aan het duister en het kostte hem niet veel moeite het smalle pad te onderscheiden. Hier moest hij naar rechts; rechtdoor bracht hem bij een monument en daar kon je niet verder. Het paadje slingerde zich langs een grote vijver. Iets verderop stond een boom en daaronder een grote donkere rododendronstruik, een bank en een fiets. Nee, het waren er twee.

‘Vincent, kappen nou,’ hoorde de schrijver. Uit wat hij zag, maakte hij op dat er een grote jongen bij een van de fietsen stond. Al snel zag hij ook een kleiner, wat tenger meisje met lange haren. Ze stond tegen de jongen aan en bewoog heen en weer. ‘Vincent, wat zei ik nou?’
Nog een paar tellen en hij zou de twee passeren.
‘Nee! Kappen, Vincent!’ Het leek erop dat het meisje zich probeerde los te maken uit de handen en armen van de jongen. ‘Vincent’ schreeuwde ze. Ze bewoog zich wild en haar haren zwierden in het donker heen en weer. ‘Wat snap je niet aan het woordje nee, Vincent?’
De schrijver was nu nog geen twee meter van ze verwijderd.

‘Voor de laatste keer, Vincent: ophouden! Kappen!’ Haar stem sneed door zijn lijf. Nog iets anders maakte zich van hem meester.
Er was iets waardoor hij inschatte dat het meisje aardig voor zichzelf kon opkomen. Toch voelde hij de drang haar te beschermen. Zijn grote kartelmes had hij niet bij zich; het stond veilig in het houten blok op het aanrecht thuis. Waarschijnlijk had hij het niet nodig. Hij had nu voldoende vaart om de jongen te verrassen en hem met een sprong omver te gooien. Een welgemikte stoot van zijn elleboog in het gezicht van de knul moest genoeg zijn om hem een tijdje uit te schakelen. Vervolgens zou hij zich naar het meisje wenden, dat zich dankbaar zou laten troosten en in zijn veilige armen haar tranen zou laten vloeien.

Maar het zou zo maar kunnen zijn dat het meisje helemaal niet beschermd wilde worden. In dat geval zou ze mogelijk net zo tegen hem tekeer gaan als dat ze tegen de jongen deed. ‘Nee, eikol! Ik hoef jouw hulp niet. Help jezelf, mislukte schrijver. Want wanneer heb jij voor het laatst wat geschreven? Met je halfzachte veerkracht en je hardlooptherapie. Wat zei ik nou? Ophoepelen. Kappen! Moet ik het voor je spellen? Kaa, aa, pee, nog een pee, ee en!’
Huilend rende de schrijver door. Het gegil van het meisje werd zachter en het eind van het park was in zicht.


Apeldoorn, maart 2017

Dit is het eenendertigste deel van de eindeloze serie Schrijver.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over cultuur

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?