Complex (S018)

Zondag 13 maart 2016

Door bazbo

Marcel Mooij

De schrijver kwam dichterbij en keek zijn ogen uit. Hij was vanmorgen op tijd van huis vertrokken en had een snelle bus gepakt. Met de trein had hij ook gekund, maar dan moest hij via een omweg reizen en dat was duurder dan met de streekbus. Die bus stopte vlak voor het station, maar de schrijver stapte al een halte eerder uit. De laatste paar honderd meter liep hij en zo zag hij het nieuwe stationsgebouw langzaam verschijnen.

Wat was het een groot complex geworden! Als je kwam aanlopen, dan viel je blik eerst op de bijzondere vormgeving. Het gebouw leek overal te golven. Er was gewerkt met veel rondingen, glooiingen en allerlei hoogteverschillen. Zo liep het plein waar de stadsbussen stonden schuin naar beneden af en leek de ingang naar het gebouw zich in de kelder te bevinden. Ernaast liep een wandelplein naar een andere ingang van het station juist weer schuin omhoog naar weer een andere ingang. Langs dit plein lagen verschillende winkels, waaronder een enorm filiaal van een fastfoodketen. Het was er al enorm druk, zo op de vroege morgen. Als je het gebouw van een afstandje bekeek, vielen ook de twee kantorentorens op die er vlak achter stonden. Alles bij elkaar had het hele complex een moderne zo niet futuristische uitstraling. Indrukwekkend.

De schrijver liep langzaam via het wandelplein naar de draaideuren. Even later stond hij binnen in de grote centrale hal. Er waren verschillende niveaus, maar nergens zag hij trappen. Via schuine wandelpaden liep je van de ene verdieping naar de andere. Brede pilaren stonden scheef. Je kon overal tussendoor kijken en dat gaf een zeer ruimtelijk maar ook vervreemdend effect.
Ergens op een verhoging stond een witte vleugel. ‘Bespeel mij!’ stond er met zwarte letters op de piano geschilderd. Er liepen veel mensen voor langs en heen en weer.

Het was hier dus druk, maar doordat het gebouw zo groot en ruimtelijk was, viel het hem niet op. Normaal gesproken hield hij niet van mensenmassa’s. Hij vermeed drukke plaatsen zoals volle marktpleinen en grote evenementen. Hij vond ze niet prettig en voelde zich opgejaagd, maar hier had hij er geen last van. Het station was ingenieus vormgegeven, vond hij.
Hij slenterde wat tussen de krioelende mensen door. Velen liepen vanaf het plein in de richting van de tunnel naar de treinperrons, anderen holden naar de overdekte streekbushaltes. Mensen staken saucijzenbroodjes in hun mond of hapten van iets wat uit een kartonnen doosje kwam. Hé, er stonden nergens prullenbakken, zo viel hem op. En kon je hier ergens zitten? Bij het gedeelte van de hal dat uitkeek op de overdekte streekbusperronnen stonden betonnen blokken met houten zittingen erop.
In de tunnel naar de treinen bevonden zich wat winkels. Er was een tijdschriftenhandel en een drogisterij, een bloemenwinkel en een minisupermarkt, plus verder een stuk of wat kramen die de lucht van verbrand frituurvet verspreidden. De schrijver liep er vlot voorbij en ging weer naar de grote hal.

Een mevrouw met twee grote koffers zocht haar weg over de schuine vloer omhoog. Twee mannen van de spoorwegpolitie liepen benaderden de man met de gaten in zijn jas die op een van de banken lag te slapen. Ze spraken de zwerver aan; de man richtte zich op en liep weg. Een groep tienermeisjes stond bij elkaar, ieder met de blik op hun eigen telefoon gericht. Zij hadden ook gaten in hun kleding, vooral bij de knieën, maar de heren van de spoorwegpolitie liepen hen voorbij. Er zat een knul op de grond met zijn rug tegen een glazen pui; hij had een hoofdtelefoon op en leek zich in een andere wereld te bevinden. Ondanks de veelheid van mensen voelde de schrijver zich op zijn gemak.

Maar plots! Wat was dat? Lawaai! Waren ze nog met drilboren aan de gang? Nee, dit was anders. Misschien wel erger. De schrijver kneep zijn ogen dicht van de pijn in zijn hoofd. Waar kwam het geluid vandaan? Voorzichtig durfde hij te kijken en zijn blik viel op het hoekje waar de grote witte vleugel stond.
Een jongeman met een dikke jas aan en een rugzakje om was op het witte krukje gaan zitten. Vervolgens had hij de opdracht ‘Bespeel mij!’ aanvaard. Toegegeven: spelen kon hij. Heuse boogiewoogie met een linkerhand die de schrijver in andere omstandigheden jaloers zou maken. Vroeger, heel vroeger speelde hij zelf ook wel eens een riedeltje. Maar niet zo luid als nu hier. Het deed hem zeer in zijn oren. Bovendien galmde het enorm. Het ontwerp van het stationsgebouw, dat hem daarnet nog zo indrukwekkend had toegeschenen, maakte dat het geluid nu binnendrong als een derrie van herrie, een lawine van lawaai, een kakafonie, een pandemonium, de hel.

Weg! De schrijver wilde weg. Nu. Meteen. Niet wachten. Hij begon te rennen. Waarheen? Daarheen. Daar waren draaideuren. Die draaiden. Veel te langzaam. Hij botste tegen een meneer op. Die keek om en wierp hem een geërgerde blik toe. Hij zag hem niet. Hij zag alleen de draaideur die te langzaam draaide. Hij begon te dringen. Zijn passen waren kort en gehaast. De opening en de vrijheid draaiden hem tegemoet. Daar. Hij kon langs de meneer glippen en stond nu voor de overdekte haltes voor de streekbussen. Hij hoorde het gebeuk op de piano nog steeds. Zag hij het goed, daarginds? Zijn tranen maakten zijn blik troebel. Hij holde naar een bus die op een van de perrons aankwam. In zijn blinde paniek, zonder te zien wat de bestemming was, stapte hij in.


Apeldoorn, februari 2016

Dit is het achttiende deel uit de eindeloze serie Schrijver.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?