De schrijver (3)

Zondag 5 januari 2014

Door bazbo

Marcel Mooij

De schrijver keek naar de coassistent.
‘Fijn dat ik eerst met u in gesprek mag. Ik zal u een paar vragen stellen en een lichamelijk onderzoek doen. Ik maak aantekeningen en die overleg ik straks met mijn supervisor. Daarna wil de neuroloog u zelf even zien.’
‘Het is goed,’ zei de schrijver. Het was helemaal niet goed. Zeker niet met de schrijver.
‘Vertelt u eens: wat is er gebeurd?’
‘Niets.’
‘Dat lijkt me sterk. Anders zat u hier niet.’ De coassistent was een jonge knul met pukkels. Hij had zijn lange haren in een bespottelijk knotje achterop zijn hoofd. De schrijver kreeg de behoefte om zijn eigen grijze manen ter plekke af te knippen. Hij zag zo gauw geen schaar liggen.

In korte zinnen vertelde ik maar weer. Afgelopen zaterdag na een nacht zonder slaap opgestaan met een gevoel van leegheid, beklemmende angst en totale desinteresse. De ene huilbui na de andere. Het hield niet op; het was nog steeds zo. En waar het vandaan kwam?
‘Zijn er spanningen in uw omgeving? Uw gezin? Uw werk?’
‘Nee. Ik ben wel onzeker over de toekomst van mijn baan, maar dat is in deze tijden niet zo vreemd en daar maak ik me niet echt druk om.’
‘Waar maakt u zich wél druk om?’
‘Nergens om. Dat is het ‘m. Of nee, wacht. Dat dit allemaal maar voorbij is en alles weer gewoon.’
‘Je bent wel heel angstig,’ vulde De Vrouw aan.
‘Angstig. Waarvoor?’
‘Dat je hetzelfde hebt als je moeder. Toch?’
‘Vertelt u eens iets over uw moeder.’
‘Ze had in de laatste jaren van haar leven twee of meer beroertes. Kon uiteindelijk weinig tot niets meer. Was ook niet meer de moeder die ik kende. Aan het eind kreeg ze nog een cva en een paar weken later is ze overleden.’
‘En nu bent u bang dat u hetzelfde heeft als uw moeder?’
‘Er is iets niet goed in mijn hoofd. Ik ben bang dat het niet meer goed komt.’
‘Hoe is het contact met uw familie? Uw vader? Heeft u broers en zusters?’
‘Goed.’ Ik zie ze weinig.

‘U komt wat apathisch over.’
Goh. Vertel ’s wat nieuws. ‘Ik voel me waardeloos en overbodig, zeker zoals ik nu ben.’
‘Gebruikt u drugs?’
‘Nee.’ Het klamme zweet brak mij uit.
‘Alcohol? Hoe veel glazen per week?’
‘Een stuk of tien? En alleen in het weekend. Vijftien? Maar nu niet.’ De afgelopen dagen had ik, op een paar koppen koffie na, helemaal geen druppel gedronken.
‘Ik wil nu een kort lichamelijk onderzoek doen.’

Daar stond ik in mijn onderbroek. Het was koud in de kale kamer. De coassistent liet het gordijn rond de onderzoekstafel open.
‘Zijn ze weer,’ zei ik zacht.
‘Wat bedoelt u?’ De jongeman klonk wantrouwend.
‘De neurologische testjes. Ik ken ze.’
‘O. Hoezo?’
Ik zuchtte. ‘Jarenlang in de gehandicaptensector aan het werk, vooral met mensen die op latere leeftijd hersenletsel hebben opgelopen.’
‘Gaat u hier voor mij staan.’ De ene opdracht na de andere volgde, in een razend tempo. ‘Voelt dit rechts anders dan links?’ Het leek wel of ik aan iedere zijde een harde stomp kreeg. ‘Gaat u hier liggen. En dit? Voelt dit hier anders dan daar? Waarom heeft u de ogen gesloten?’
‘Om me te concentreren.’ Ik kan je niet volgen, Jan Doedel. Zó snel gaat het.
‘En dit?’
Ik schudde verward mijn hoofd.
‘Kleedt u zich maar weer aan. Ik werk mijn aantekeningen uit en overleg met mijn supervisor. U kunt weer plaatsnemen in de gang, dan wordt u zo geroepen.’

‘Meneer Langereis?’
Ik stond op. Helse paniek maakte zich van mij meester. Een man in witte jas maakte een uitnodigend gebaar zijn kamer in. ‘Gaat u zitten.’ We gingen hem voor.
‘Vreemd verschijnsel,’ zei hij. ‘Ik wil een uitgebreider hersenonderzoek. Een CT-scan. Ik heb met de afdeling radiologie overlegd en u kunt even tussendoor. Daarna komt u weer bij mij terug. De assistente zal u uitleggen waar u naartoe moet.’ Hij hield de deur weer voor ons open.
Ik zat nog niet eens.

‘Dag,’ zei ik tegen de dame achter de balie. ‘Ik kom voor een CT-scan; ik mocht even tussendoor.’
Getik op een toetsenbord. ‘Uw naam? Langereis? Hm, klopt. Neemt u plaats.’
Vijf minuten later kwam een kleine grijze zuster mij ophalen. Ze bracht me naar een smal gangetje. ‘Hier kunt u uw jas ophangen, dan haal ik u zo aan de andere kant op.’
Ik hing mijn jas op en wachtte. Daar was ze. In de grote kamer achter haar stond een enorm apparaat met een ligbank en een buis, waarin de hele bank kon verdwijnen. Een team van een man of vier keek vanuit een andere kamer door een raam toe. ‘Gaat u liggen.’
Ik deed het en sloot mijn ogen. Er klonk gezoem, de bank waarop ik lag bewoog, er was geruis. Het duurde seconden, minuten, uren, dagen.
‘Dat was het,’ zei een stem.
Ik keek op. Aan mijn voeteneind stond een heel andere vrouw. Deze was jong en blond en had haar haren in een paardenstaart. Ik wilde naar haar glimlachen, maar ze was me voor: ‘U mag daar eruit.’
‘O.’

‘Hoe was het?’ vroeg De Vrouw.
‘Snel voorbij.’ We wachtten weer bij de neuroloog.
‘Kijk daar,’ wees ze de gang in. ‘Wat een mooie lamp.’
Ik knikte. Wat kon mij die lamp nou schelen?
‘Meneer Langereis? Komt u binnen, neemt u plaats.’ We stonden op en liepen de kamer weer in. ‘De scan is normaal,’ zei de neuroloog nog voordat ik kon gaan zitten. ‘Ik verwijs u terug naar de huisarts.’
‘Dat is toch een opluchting,’ vond De Vrouw. We konden weer opstaan en naar huis. ‘Toch?’
‘Het zou een opluchting moeten zijn,’ zuchtte ik toen we buiten in de kou liepen.
‘Maar?’
‘Dus nu ben ik gewóón gek?’

‘Je scan is normaal, dat sluit wel wat uit.’ De huisarts keek op van haar computer en richtte zich weer tot ons. De Vrouw had gelijk gebeld voor een afspraak toen we uit het ziekenhuis terugkwamen. Gelukkig konden we deze zelfde middag nog terecht. ‘Nu moeten we gaan kijken wat het wel is. Er is een druppel geweest die de emmer heeft doen overlopen.’
‘Welke emmer?’ vroeg ik. Ik schudde verward mijn hoofd. ‘Ik weet ook van geen druppel.’
‘Je moet tot rust komen,’ zei ze. ‘Je gaat minimaal drie weken niet werken.’
‘O?’
De Vrouw grinnikte. ‘Hij is gisterenmiddag nog naar kantoor geweest.’
‘Alleen maar even urgente mail afhandelen en een afwezigheidsmelding aanzetten.’ Ik leek wel een schooljochie dat betrapt was op kattenkwaad.
De dokter schudde haar hoofd. ‘Drie weken niet werken,’ benadrukte ze. ‘En ook geen contact hebben met het werk. Je moet helemaal loskomen.’
Ik knikte maar wat.
‘En ga vooral leuke dingen doen, alsof je op vakantie bent.’
‘Maar …,’ begon ik.
De dokter zette grote ogen op. ‘Wat?’
‘Leuke dingen,’ zei ik voor mij uit.
‘Dan heeft hij een probleem,’ wist De Vrouw. ‘De dingen die hij normaal gesproken leuk vindt, die vindt hij momenteel helemaal niet leuk. Hij heeft nog geen muziek aangehad, nog geen boek aangeraakt of iets kunnen lezen, zijn pc is nog niet aangeweest.’
‘Toch doen.’ De dokter keek me indringend aan. ‘Dat komt wel weer, dat je het leuk vindt. Maar zorg wel voor regelmaat. Je moet vroeg je nest uit en op tijd er weer in. Regelmatig eten en ga vooral naar buiten. Ik wil dat je gaat lopen. Maak wandelingen, ga fietsen.’
Oké. Nee. Helemaal niet oké. Toch stemde ik in.
‘En ik wil je over een week weer zien.’
Ik stond weer op en trok mijn jas aan. ‘Maar wat heeft hij nu?’ vroeg De Vrouw. ‘Is er een diagnose te stellen?’
‘Dit is wat ze in de volksmond noemen: zwaar overspannen. Totale burnout.’
Ik draaide me om en zei: ‘Dat kan niet.’
Even was ze stil.
‘Dat kan iedereen gebeuren,’ ging ik verder, ‘maar er is een iemand op de wereld die dat niet overkomt. Dat ben ik.’
‘We zien elkaar volgende week,’ zei ze. ‘Je bent toe aan de volgende stap als het huilen stopt.’

‘Uitgebrand.’
‘Wat zeg je, schat?’ vroeg De Vrouw vanuit de woonkamer. Ze zat achter de pc.
‘Niets.’ Er vielen tranen op het blad van de keukentafel.
Ze kwam naar de schrijver toe, streek hem door zijn haren en ging tegenover hem zitten. ‘Het komt goed. Heus, vroeg of laat kun je er vast mooi over schrijven.’
‘Denk het niet.’
‘Ik heb het die-en-die verteld,’ zei ze. ‘Vind je dat goed?’
‘Als die-en-die het weet,’ zei de schrijver, ‘dan weet iedereen het. Het is nu al gebeurd. Kan mij het schelen.’
‘Je moet ook je vrienden wel blijven zien, hoor. Zij willen je zeker tot steun zijn en komen je vast opzoeken en beterschap wensen.’
Mooi. Het zal. ‘Dat zou heel lief van ze zijn. Echt waar,’ zei hij. ‘Maar daarna moeten ze weer opsodemieteren.’
De Vrouw grinnikte. De schrijver lachte door zijn tranen heen.

(Wordt vervolgd.)


Apeldoorn, december 2013

Lees ook:
De schrijver (1)
De schrijver (2)
De schrijver (3)
De schrijver (4)
De schrijver (5)
De schrijver (6)
De schrijver (7)
De schrijver (8) (slot)

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?