Hoog tijd voor een kroegverhaal

Zondag 22 mei 2016

Door bazbo

Marcel Mooij

Ik begeef mij naar het café De Lekkage. Dat doe ik niet eens om inspiratie op te doen. Kijk om je heen: aan inspiratie geen gebrek. De ellende ligt op straat. Nee, de reden dat ik mij aan kroegbezoek waag, is dat ik verlang naar variatie. Het moeten niet altijd verhalen zijn over schrijvers in neerslachtige buien. Het mag ook wel eens wat opgewekter allemaal. Bovendien heb ik iets te vieren. Of nee, ik heb bijna iets te vieren. Pas morgen ben ik jarig. Laat ik het er maar op houden dat ik mijzelf eens ga trakteren op een gezellig bezoek aan mijn oude stamkroeg. Ik ben er al in geen tijden geweest.

De deur van café De Lekkage klemt en piept als ik hem open duw. Binnen is het rustig. Dat is wel eens anders geweest. Om tijd te winnen zal ik nu niet verwijzen naar allerlei eerdere verhalen die ik ooit over dit café heb geschreven. Dat het rustig is, heeft in ieder geval niet te maken met het mooie weer buiten. Mensen zitten echt niet op het terras. Ten eerste regent het pijpenstelen en ten tweede heeft café De Lekkage helemaal geen terras.

De deur valt nog niet met een klap achter me dicht, of er komt al iemand op mij af. Het is Luide Leo.
‘Bas!’ brult hij me toe en hij geeft me een hand. Tegelijkertijd heeft hij zijn hoofd naar de bar gedraaid. Aan iemand die daar hangt vraagt hij: ‘Ken je zijn zus?’ Tegelijkertijd wijst hij naar mij. De blik in zijn ogen en de air op zijn smoel zegt: ‘Ik wel.’
‘Laat mijn hand eens los,’ zeg ik.
‘Wat doe jij tegenwoordig in het dagelijks leven?’ Luide Leo kijkt me nog steeds niet aan. De persoon aan de toog staart in het lege glas dat voor hem staat.
‘Nou,’ zeg ik, ‘meestal begint het met dat ik wakker word.’
‘Routine, ordening, structuur, ritueel; een mens heeft er houvast aan,’ is zijn reactie. Plotseling laat hij mijn hand los en steekt hij zijn wijsvinger op. Hij kijkt me met grote ogen aan en even ben ik bang dat hij een hartaanval krijgt. In plaats daarvan laat hij een luide wind. Vervolgens draait hij zich om en loopt van me vandaan.

Ik ga naar de bar.
‘Wat mag het zijn?’ vraagt het meisje.
Ik blijf beleefd. ‘Voor mij een plat water.’ Zo voorzichtig mogelijk bekijk ik het meisje. Ze mag niet denken dat ik iets van haar zou willen. Want dat wil ik niet. Ik vind haar namelijk zeer onaantrekkelijk. Dat zegt niets over haar; dat zegt alles over mij. Enige zelfkennis is mij niet vreemd. Die zelfkennis ben ik mij zeer bewust. Goed van mij, hè?
‘Plat water?’ Ze knijpt haar ogen niet-begrijpend tot spleetjes. ‘Wat bedoel je?’
‘Water zonder bubbels. Plat water. Mag uit de kraan, maar als je iets aan mij wilt verdienen heb je wellicht ook een mooi water uit de fles.’
‘Zeg dat dan.’
‘Dat zeg ik toch?’
‘Ja, nu. Maar net zei je wat anders.’
‘Wat zei ik dan?’
‘Dat weet ik niet meer, maar dát niet.’
‘Nee. Dát niet. Waar blijft mijn water?’
‘Wil je het uit de kraan of mag het uit een fles zijn?’
‘Doe maar wat je het minste moeite kost.’
Ze grijpt onder de bar en haalt een fles tevoorschijn. ‘Kijk eens,’ zegt ze. ‘Een Spa blauw.’
‘Het is Sourcy.’
‘Dat spijt me dan.’
‘Geen probleem. Je ziet er leuk uit als je spijt.’
‘Huh? Wat bedoel je?’
‘Dat ik het niet erg vind. Als tegenprestatie vind jij het dan vast niet erg om het niet in rekening te brengen of, indien je dat wel erg vind, het op te schrijven.’
‘Ik dacht dat jij de schrijver was.’
‘Ben. Niet was. En morgen ook nog eens jarig.’
‘Alvast gefeliciteerd!’ Luide Leo brult door de gelagkamer.
Snel pak ik het glas van de bar en zoek ik naar een tafel zo ver mogelijk uit de buurt van Luide Leo.

Heerlijk vind ik het om in mijn uppie aan het tafeltje te zitten. Gewoon zitten. Beetje om mij heen kijken en verder niets. Mijn telefoon heb ik niet bij mij. Ik heb mijn telefoon zelden bij mij.
Het piepen van de klemmende deur doet mij opkijken. Een vent met een tatoeage in zijn nek betreedt het café. Ik kijk weer voor mij en denk verder na over mijn telefoon die ik zelden bij me heb. Vanuit mijn ooghoek merk ik dat iemand bij mijn tafeltje is komen staan.
‘Wil je mij niet meer kennen?’ klinkt een stem.
Vooruit, ik kijk op. Het is de vent met de tatoeage in zijn nek. Hij kijkt me aan alsof ik hem moet herkennen als finalist van die succesvolle RTL-spelshow Pak me ballen. ‘Excuus, waar moet ik u van kennen?’ vraag ik.
‘Laat maar!’ schreeuwt hij. ‘Het hoeft al niet meer!’ Bruusk draait hij zich om en verlaat het café.

‘Is er iets gaande?’ vraagt het meisje. Ze is nogal zenuwachtig van achter de bar gekomen en loopt nu naar mijn tafel.
‘Welnee,’ zeg ik. ‘Er is hier niets gaande. Er is hier nooit iets gaande. Moet jij nog iets spectaculairs doen vandaag?’
‘Hier of thuis?’
‘Thuis,’ zeg ik. ‘Wat of je hier moet doen, kan ik zelf ook wel ruiken.’
‘Nou ja, zeg.’
‘Ik vroeg je wat.’
‘Pardon. Wat vroeg je?’
‘Bij de les blijven lukt je niet zo goed, hè? Een bestelling opnemen, hoe gaat je dat af?’
‘Die vraag kan ik mij niet herinneren.’
‘Een bestelling onthouden, lukt dat wel?’
‘Die vraag kan ik mij ook niet herinneren?’
‘Moet jij nog iets spectaculairs doen vandaag?’
‘Aan wat voor iets denk je dan?’
‘De tuin spitten? Een jeeptocht maken? Je aanmelden voor het plaatselijke wildbreifestival? Mijn verjaardagstaart bakken? Je grootmoeders onderbroek verschonen? Voor een trein gaan liggen?’
‘Nee, niets van dat alles. Ik ben bang dat wat ik moet doen, niet zo spectaculair is.’
‘Wat is het dan wél?’ zucht ik verveeld.
‘Thuis de badkamer schoonmaken.’
‘Schoonmaken?’ vroeg ik. ‘Doe jij dat dan?’
‘Ja, ik kan geen schoonmaakster betalen, dus ik doe het zelf. Jij niet?’
‘Ik heb ook geen schoonmaakster.’
‘Dus jij doet het zelf?’
‘Nee.’
‘Jij maakt niet schoon?’
‘Dat zeg ik toch?’
‘Maar hoe zit dat dan?’
‘Wat is je nou niet duidelijk? Ik heb gezegd dat ik niet schoonmaak.’
‘En je hebt geen schoonmaakster?’
‘Ja. Ik heb geen schoonmaakster. Zo bespaar ik een boel tijd en geld.’
‘Ik begrijp er niets van.’
‘Wat wil je nog meer weten dat je het wél snapt?’
‘Wie maakt er dán schoon?’
‘Niemand.’
‘Niemand?’
‘Niemand.’
‘Waarom niet?’
‘Alsof ik zo’n smeerlap ben. Wat jij van mij denkt, is wel duidelijk. Je wordt bedankt. Toogsnol.’
‘Nou ja, zeg.’
‘Vroeg ik je wat?’
‘Nee. Dat niet. Maar je zei wel wat.’
‘Maar je begrijpt het nog steeds niet?’
‘Ik geloof dat mijn dienst er bijna op zit. Goddank.’ Ze draait zich om en wil weglopen.
‘Geen fijne verjaardag?’
‘Fijne verjaardag dan.’
‘Dank je.’
‘Wanneer is het?’
‘Morgen.’
‘Morgen.’
‘Jij fijne avond.’
‘Dank je. Anders nog iets?’
‘Ik blijf beleefd.’

Ik zit alweer een tijdje alleen aan de tafel. Mijn glas is al uren leeg, zo lijkt het wel. Plots weet ik weer waarom ik al in geen tijden hier in café De Lekkage ben geweest: ik vind er geen klap aan. Sinds vandaag op de kop af tweeënhalf jaar geleden heb ik geen druppel alcohol meer gedronken. Vanaf dat moment, 16 november 2013, mijd ik gelegenheden als dit. Niet omdat ik in de verleiding zou kunnen komen weer te gaan zuipen, maar omdat ik al die lullende en lallende lui niet meer interessant vind.
‘Bas!’ brult iemand vanaf de andere kant van de grote stamtafel. Het is Luide Leo. ‘Zit niet zo voor je uit te staren, zo vlak voor je verjaardag morgen. Weet je wat jij weer ’s zou moeten doen? Een boek schrijven.’
‘En waarover dan wel?’
‘Maakt niet uit waarover en of het een boek is, of een verhaal, een recensie, een reportage, een essay, een verhandeling, een traktaat of een gedicht. Als het maar goed is!’
‘Nee, dat helpt.’
‘Mij kan het niet schelen. Ik lees toch niet. Voor mijn part is het een bloedserieus verhaal.’
‘Leo. Als ik, Bas Langereis, geboren op 17 mei 1965 in het zo majestueuze Apeldoorn, nou zo nodig een bloedserieuze tekst moet maken, waar moet die dan over gaan?’
‘Nou, ik weet het wel. Volgens mij is het hoog tijd voor een kroegverhaal.’


Apeldoorn, mei 2016

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?