Uit een pakje – een culicolumn

Zondag 7 september 2014

Door bazbo

Marcel Mooij

Wie het eerste thuis is, die kookt. Dat is de regel in ons huishouden. De Zoon moest koken. Het was op een dinsdag en dat was de dag dat De Zoon niet werkte. Het was toevallig ook een dag dat ikzelf thuis was, dus waren De Zoon en ik allebei als eerste thuis en zouden we volgens de regel dus allebei moeten koken. Dat is niet handig. Niet alleen lopen we elkaar dan gigantisch in de weg in de keuken, ook zouden we alles niet op krijgen en om nu twee keer een uitgebreide warme maaltijd te nuttigen op één dag, dat is wel wat te veel van het goede.
Nu was ik die dag eigenlijk helemaal niet toevallig thuis. Ik was in die tijd wel vaker thuis. Het ging niet zo goed met mij. Nogal opgebrand, zware burnout, had de huisarts me gemeld. Ach zo. Ik geloofde er niets van. Maar werken kon ik helemaal niet. Ik zat hele dagen thuis aan de keukentafel te huilen. Het enige productieve wat ik kon, was koken. En dat nam De Zoon nu van mij over. In plaats van andersom, zoals doorgaans het geval was.

De Zoon ging koken, dus. Dat was wel goed voor hem om te oefenen, vonden we. Je wist maar nooit of hij ooit op zichzelf zou gaan wonen. Of dat we hem het huis uit zouden trappen. De momenten dat we dit laatste overwogen, waren er wel eens. Toch deden we het niet. (Wie richt er een standbeeld voor ons op?) Maar stel nu eens dat hij helemaal uit zichzelf op zichzelf zou gaan wonen, dan zou het toch handig zijn als zijn culinaire vaardigheden verder zouden reiken dan het uit een doos halen van een diepvriespizza.
De afgesproken methode was als volgt. De Zoon kiest een recept (uit boek of tijdschrift), bekijkt of hij zelf de benodigde boodschappen doet of dat ik ze voor hem haal, en deelt vervolgens mede of hij enige ondersteuning bij de bereiding van het door hem gekozen gerecht wenst. Omdat loslaten moeilijk is voor mij, zit ik tijdens zijn kookbeurten meestal aan de keukentafel commando’s te brullen. Nu zat ik ook te brullen, maar dat was vanwege mijn ziekte en niet vanwege de abominabele kooktechnieken van De Zoon.

Dat neemt niet weg dat de resultaten van zijn keukenactiviteiten doorgaans om te huilen zijn. Dat komt zo. Om het hem wat makkelijker te maken, hoeft hij het recept aangaande aan geen enkele beperking of regel te voldoen. Dus eten we op dinsdag veelal instant, kant en kaar, afhaal of prefab. Het voedsel en de smaak komt dan voornamelijk uit een pakje. Als ik zelf kook, dan ga ik uitgebreid in de weer met eigen mengsels van kruiden en specerijen en met verse ingrediënten. Vandaag dus niet. Kip kerrie werd het vandaag. Van een bekend merk. Omdat ik geen reclame wil maken, zal ik de naam Honig niet noemen.

Zoals ik al meldde: loslaten is moeilijk. Althans, ik kan het lastig. Aan de keukentafel deed ik net of ik zat te lezen, maar ondertussen hield ik De Zoon en zijn handelingen scherp in de gaten. Ik greep niet in, maar zag wel een fiks aantal fijne fauten. Zo stond hij de ui en de kip te snijden met een ontbijtmesje, hetgeen resulteerde in grote brokken ui en enorme hompen kip. Alsof ze níét gesneden waren.
Juist op het moment dat ik er toch iets over wilde zeggen, kwam De Vrouw de keuken binnenstormen en sleepte me mee naar de woonkamer. Niet dat daar iets te doen of te zien was. ‘Zo bemoei je je er tenminste niet mee,’ zei ze beslist. Ze had gelijk, maar dat ging ik natuurlijk niet zeggen. (Nooit.)

Na iets wat ellenlang leek te duren, mochten we aan tafel. Er stonden twee pannen.
‘Lukte het?’ vroeg ik, terwijl ik aanschoof.
‘Ja hoor,’ was het antwoord kortaf.
‘Nog bijzonderheden tegengekomen?’ vroeg de cultureel werker in mij verder.
‘Alleen bij het koken van de rijst.’
‘Vertel.’
‘Acht minuten, stond er op het pak.’
‘En wat was daar bijzonder aan?’
‘De kookwekker op de magnetron doet het niet. Dus moest ik de klok in de gaten houden.’
‘Ach zo.’ Zie je wel? Het komt allemaal goed met deze jongeman, dacht ik. ‘En toen?’ vroeg ik verder. ‘Afgieten en nog vijftien minuten laten staan?’
‘Vijftien minuten laten staan wel. Maar afgieten?’ was de verwarde tegenvraag. ‘Nee.’
Ik tilde het deksel van het kleine pannetje en keek. Dat was geen rijst. Dat was pap.
‘Eet smakelijk,’ zei De Zoon.

‘Zie je wel?’ zei De Vrouw, toen we klaar waren met eten. De Zoon had ons achtergelaten met een niet-afgeruimde tafel en een fornuis en aanrecht vol potten, pannen, schalen en vlekken. ‘Het komt allemaal goed met deze jongeman.’
‘Ach, zo zijn wij ooit ook begonnen,’ zei ik.
‘Hoe bedoel je? Waarmee?’
‘Met koken uit een pakje. Met eten dat niet te eten is.’
‘Viel wel mee, toch?’
‘De rijst was niet afgegoten en dus pap. Hij had een veel te groot blik ananasstukjes erbij ingedaan. Het maakte de hele schotel verschrikkelijk zuur! Behalve dat was de hele maaltijd totaal smaakloos. Er zat ook geen enkele groente bij.’
‘Nou, dat viel dus wel mee. Dat zei ik toch?’
‘Inderdaad. Eigenlijk maakt het niet uit of je een pakje kipkerrie of een boemboe sajoer neemt.’
‘Huh? Hoezo dat niet?’
‘Die zakjes en pakjes,’ legde ik uit, ‘die smaken allemaal hetzelfde. Naar de verpakking.’
‘Hm. Je hebt gelijk.’’
‘Soms, heel soms, zegt een vrouw wél eens iets zinnigs.’
Pats. De Vrouw had uitgehaald. Zat ik wéér te janken.

Om het goed te maken, liet ik een paar dagen later zien hoe het wel moet.
Verhit olie in een pan. Dat mag olijfolie zijn, maar ik gebruik zonnebloemolie voor een neutralere smaak. Doe er dan kerrie bij. Goede kerrie koop ik bij mijn kruidenman op de markt. Die maakt zijn mengsels zelf en zonder zout. Ik houd van een pittige kerrie, dus de Bengaalse, graag. Ook voeg ik nog wat gember, koriander en geelwortel toe. Goed roeren, zodat een smeuïge pasta ontstaat. Dan de in blokjes gesneden kipfilet erbij en die bruin bakken. Uitje, rode peper en eventueel een (groene) paprika meebakken.
Dan een halve liter melk toevoegen. Of een kwart liter melk en een klein blikje kokosmelk, dat kan ook. Op smaak brengen met peper en zout. Uiteindelijk, als de kip gaar is, de saus binden. Dat kan met amandelmeel, maar dat heeft niet iedereen in huis. Voor hen: beetje aardappelzetmeel in een kommetje, lepel koud water erbij en kloppen tot een mooi papje. Dit bij je kerriesaus gieten en goed doorroeren. Verse koriander hakken en hiermee garneren.
Aan tafel! Wel uitkijken met knoeien, want je krijgt die gele vlekken lastig uit je kleren en tafellaken. Tip: je kunt met je kip en ui ook allerlei groente meebakken. Ik doe dat vaak met paksoy, snijbiet, spinazie, courgette, geblancheerde wortel of wat dan ook.

‘Gaat het nog steeds niet goed?’ vroeg De Vrouw, toen ik doende was bovenstaande dis te bereiden.
‘Hoezo dat?’ was mijn wedervraag al roerende.
‘Je huilt.’
‘Ik heb net uien staan snijden,’ legde ik uit. ‘En ik heb zojuist geproefd. Ik ben iets te scheutig geweest met de pittige kerrie en de verse rode pepers.’
‘Laat mij morgen dan maar koken,’ bood De Vrouw zuchtend aan. In haar stem klonk ook iets van: ‘Dan weet ik tenminste zeker dat het te vreten wordt.’
‘Wat ga je maken dan?’ vroeg ik.
‘Iets van pasta of zo.
‘Klinkt goed,’ zei ik. ‘Hoe ga je de saus maken?’
‘Ik wilde het ’s lekker makkelijk doen,’ was het antwoord. ‘Uit een pakje.’


Apeldoorn, augustus 2014

Naschrift voor de trouwe lezers:
Met mij gaat het beter. Ik huil soms nog steeds, maar alleen op de dagen dat De Zoon als eerste thuis is.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?