Vast (S014)

Zondag 22 november 2015

Door bazbo

Marcel Mooij

De verte kwam vlot dichtbij. De schrijver had er aardig de vaart in. Voor zijn doen dan. De bomen langs het kanaal werden nu echt kaler. Het waren grote eiken. Blad viel er nog wel, maar de eikeloogst was voorbij. Een tijdje geleden liep hij hier en kreeg hij zowaar een eikel op zijn hoofd. Dat deed pijn. Niet zo erg als de chronische druk op zijn hoofd, maar toch.
Gedreven draafde hij door. Wanneer was hij begonnen? In januari moet het zijn geweest. Goede schoenen gekocht, goedkope kleding en even googlen op ‘hardloopschema beginners’. Na vier maanden kon hij een kwartier onafgebroken hardlopen en nu alweer een maand of twee redde hij het een half uur lang. Weer of geen weer: drie keer per week was hij op straat te vinden. Hij vertelde het aan niemand, maar was trots op zichzelf.

Even verderop zag hij een groepje jongeren bij een bankje. Er stonden twee fietsen en iets wat op een brommer leek. Vanuit de verte zag het ernaar uit dat het allemaal jongens waren. De kapsels leken kort: Degenen die op het bankje zaten, hingen onderuit. De anderen die stonden deden dat wijdbeens en met hun borst vooruit. In de handen een blikje of iets dergelijks. Hij kon het nog niet zien. Wat hij wel kon zien, was dat een van de jongens zich losmaakte van het groepje, de weg langs het kanaal overstak en ergens tussen de bomen aan de rand van het kanaal ging staan.

Geen meisjes bij het groepje jongeren, dat wist hij nu wel zeker. De meiden die meestal bij dit soort clubjes hingen, waren van het soort dat hij vroeger, toen hij zelf nog jong was, vooral vermeed. Tegenwoordig droegen die meisjes strakke jasjes die eruit zagen als slaapzakken en broeken die de knieën en grote delen van de bovenbenen bloot lieten. Zeer onaantrekkelijk, als je het hem vroeg. Daar zou hij echt niet opgewonden van raken. Ha, laatst meende hij ergens opgevangen te hebben dat mannen die hardlopen dat doorgaans doen met een harde plasser, maar dat gold voor hem absoluut niet. Problemen met zijn orgaan had hij niet, daar niet van. Ja, er was een tijdje geweest, nu meer dan een half jaar geleden, toen hij antidepressiva tot zich moest nemen, dat hij weliswaar een harde jongen kon krijgen, maar niet kon klaarkomen. Nu werkte alles weer als vanouds. Nou ja, behalve dan dat hij weinig om zich heen zag en had waar hij opgewonden van zou kunnen raken. De gedachten aan de meisjes van tegenwoordig, met de malle jassen en de broeken vol grote gaten en scheuren droegen daar ook niet toe bij.

Hij moest denken aan eerder op de dag. Heel veel eerder. Het was nog donker, zó vroeg op de morgen was het. Hij wandelde over het fietspad en schoolgaande tieners kwamen hem tegemoet. Even was het rustig en toen, ja daar was ze. Hij herkende haar van een afstandje: het mooie meidje op de fiets. Haar haren golfden in het zachte herfstwindje en ze trapte stevig door. Haar hoofd wiegde heen en weer met iedere ronde die haar voeten op de pedalen maakten. Ze droeg een halflange zwarte jas, een zwarte broek zonder gaten en met smalle pijpen die verdwenen in halfhoge laarsjes. Toen ze dichtbij was, werd zijn aandacht net zoals altijd gegrepen door haar volle lippen. En zie, ze zag hem ook en daar, daar gingen haar mondhoeken omhoog. Ze herkende hem en knikte. Hij glimlachte naar haar terug. Ja, ze was mooi. Hoe oud zou ze zijn? Hij gokte op een jaar of veertien. Het was een mooi kind, bedacht hij zich enigszins vertederd. En vandaag was er iets anders dan anders aan haar. Wacht, hij wist het. Ze draagt een bril. Die had ze de andere keren niet op. Eentje met een zwart montuur, hip en bijna volwassen. Het stond haar goed. Toen ze vlakbij hem was, draaiden haar ogen naar hem toe zonder haar hoofd te draaien en hoorde hij haar zachte stem: ‘Hallo.’ Er klonk iets vrolijks in hoe ze het zei. Hij grijnsde en zei: ‘Hoi.’ Toen was ze voorbij en veranderde zijn gelaatsuitdrukking van een glimlach in een grimlach.

Wat hij ook zag, nu hij dichtbij het groepje jongens kwam, was een meneer met een grote hond. Beiden kwamen bij het bankje aan. De grote hond begon te snuffelen aan de voeten van een jongen die met zijn benen wijd op de bank zat en een teug nam uit een blikje energydrank. De jongen bewoog zijn been ietwat schoppend en de hond begon te blaffen.
‘Meneer!’ klonk het van achter de boom. Het was de jongen die was gaan plassen. ‘Meneer, u houdt die hond toch wel goed vast, hè?’
De schrijver passeerde het groepje, grinnikte en rende voort.


Apeldoorn, november 2015

Dit is het veertiende deel in de eindeloze serie Schrijver.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?