Zakgat (S002)

Zondag 1 februari 2015

Door bazbo

Marcel Mooij

Het meisje heeft niet echt een goede kont, heeft hij al een paar maal geconstateerd. Niet dat het erg is. De rest van haar vindt hij uitermate prachtig. Haar achterkant hoort gewoon bij haar zoals ze is, ook al is het een zakgat.

Iedere keer als hij ’s morgens in deze bus stapt, laat hij haar voorgaan. Echt vaak maakt hij deze reis overigens niet. Slechts af en toe, maar als hij hem maakt, ziet hij haar. Haar korte, ietwat mollige benen heeft ze zo goed als altijd gestoken in een strakke zwarte broek. Verder draagt ze zwarte gympies en een kort zwart jasje, dat haar heupen onbedekt laat. Met een paar vlugge pasjes is ze bij de bestuurder aangekomen. ‘Goedemorgen,’ zegt ze. De hand die de OV-chipkaart voor het gele apparaat houdt, heeft ranke vingers. Hij ziet een zilveren ring om haar linker ringvinger. Na het groene lampje en de pieptoon loopt ze verder de bus in.

Zijn eigen handelingen zijn hetzelfde. ‘Goedemorgen,’ bromt hij met vriendelijke stem tegen de chauffeur. Ook bij hem een groen lampje en een pieptoon. Mooi. Hij had niet anders verwacht.
Het meisje is gaan zitten voorin de bus, op een ruim zitje met vier stoelen. Hij loopt langzaam naar achteren. Als hij haar passeert, kijkt hij haar heel even aan.

Ze heeft een rond gezicht met prachtige donkerbruine ogen. Is haar huid licht getint? Hij kan het niet goed zien; het is half donker in de bus. Het zou kunnen. Echt belangrijk vindt hij het niet. Ze zou een Marokkaanse kunnen zijn of Turkse of iets anders uit het Midden-Oosten. Wat maakt het uit?
Erger vindt hij het dat ze niet lacht. Tamelijk stuurs kijkt ze voor zich uit. Misschien heeft ze wel van die kleine dopjes in haar oren en concentreert ze zich op wat ze hoort. Die dopjes kan hij niet zien. Dat komt door haar schitterende lange, bijna zwarte haren. In subtiel zachte golven hangen die langs haar hoofd, over haar schouders en rug, tot bijna op haar kont.
Haar zakgat, denkt hij. Dan is hij haar voorbij.

Zelf gaat hij bijna helemaal achterin zitten, niet al te ver van de uitgang, maar ook weer niet vlakbij de deuren. Als die opengaan, heeft hij niet al te veel last van de koude wind.
De busrit is kort; na nog geen acht minuten zal hij bij het eindpunt zijn. Van waar hij zit, kan hij haar niet goed zien. Hij richt zijn blik dan ook naar buiten. Huizen, straten, bomen en auto’s glijden aan hem voorbij. In lange alinea’s zou hij kunnen beschrijven wat hij tijdens de rit ziet, maar als hij zou moeten optekenen wat beklijft, dan zou het zeker niet de omgeving zijn. Hij vraagt zich af of hij iets moet of kan met de gebeurtenissen van nu, hier in de bus.

Die bus is ondertussen bijna bij het eindpunt. Het is dichtbij het doel van zijn reis. Bij de voorlaatste halte stapt ze uit, zo weet hij. Kijk, ze staat al op, loopt naar hem toe, maar stopt bij de deuren. Even lijkt haar blik die van hem te kruisen. Haar uitdrukkingloze gezicht verraadt niets. Ze houdt haar OV-chipkaart voor de detector. Hij hoort de pieptoon. Ze kijkt afwachtend naar de deuren. De bus komt langzaam tot stilstand; de deuren gaan open. En dan is het zover.

Het meisje heft haar hoofd en draait het in de richting van de voorkant van de bus. De chauffeur kijkt in de spiegel die boven de voorruit hangt naar achteren. Door de draaiende beweging van haar hoofd zwieren haar lange haren als een grote waaier om haar heen. Ze zegt zoals altijd met zachte maar heldere stem: ‘Bedankt.’ Hierop had hij gewacht. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. Dan stapt ze uit.
De bus trekt op en haalt haar in. Nog heel even ziet hij haar haren golven, niet haar zakgat. Ze is weg.


Apeldoorn, november 2014

Dit is het tweede deel van de eindeloze serie Schrijver.
Het vorige deel lees je hier.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?