Je ziet het niet, maar het is er wel
Door Marsha Regensburg

Hoe is het eigenlijk om theaterlessen te geven aan mensen met niet-aangeboren hersenletsel?”, vroeg iemand.
“Dat lijkt me ontzettend moeilijk.”
Mijn antwoord verraste misschien wel het meest.
“Nee,” zei ik. “Het vraagt vooral iets van míj.”
Niet-aangeboren hersenletsel, vaak afgekort als NAH, is namelijk niet iets wat je ziet. Mensen lopen niet rond met een bordje waarop staat wat er met hen aan de hand is. Pas wanneer je met iemand in gesprek raakt, ontdek je soms waar iemand tegenaan loopt.
Want dé persoon met niet-aangeboren hersenletsel bestaat helemaal niet.
De één heeft moeite met het onthouden van informatie. De ander raakt sneller overprikkeld. Iemand anders heeft weinig energie, terwijl een ander juist veel kan, maar meer tijd nodig heeft om informatie te verwerken. Er zijn mensen die sneller emotioneel reageren of ineens in tranen uitbarsten. En er zijn mensen bij wie je aan de buitenkant nauwelijks iets merkt.
Juist daarom vind ik het zo belangrijk om niet in hokjes te denken. We hebben soms de neiging om van een diagnose een persoon te maken. Alsof iedereen met dezelfde diagnose ook dezelfde mogelijkheden en dezelfde hulpbehoefte heeft. Maar zo werkt het niet.
Je zou hetzelfde kunnen zeggen over griep. Hoewel de diagnose hetzelfde is, ervaart iedereen het anders. De één ligt een week uitgeschakeld op bed, terwijl de ander na een paar dagen alweer op de been is. De overeenkomst zit in de naam, maar de ervaring is voor iedereen anders.
Dat geldt misschien nog wel sterker voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel.
En toch maken wij samen theater.
Dat vraagt soms om herhaling. Om een scène nog een keer te oefenen. Of nóg een keer. De één kent zijn tekst na één keer lezen. De ander heeft een spiekbriefje nodig. En dat is helemaal prima.
Ik geloof namelijk niet dat de deelnemers zich aan mij moeten aanpassen. Als ik voor deze groep sta, is het mijn verantwoordelijkheid om mijn manier van werken aan te passen. Om te ontdekken waar mogelijkheden liggen, in plaats van te blijven kijken naar obstakels.
Daar begint voor mij inclusie.
Niet bij regels of mooie woorden, maar bij nieuwsgierigheid.
Waar ligt jouw talent?
En hoe kunnen we dat samen zichtbaar maken?
Door met deze groep te werken, merk ik dat ik zelf ook anders ben gaan kijken. Niet alleen tijdens de theaterlessen, maar ook daarbuiten.
Neem iets simpels als boodschappen doen. Iemand loopt per ongeluk met jouw winkelwagen weg. Iemand staat nét wat langer bij de groente- en fruitweegschaal terwijl jij staat te wachten. Of iemand reageert anders dan je verwacht.
Hoe snel denken we dan: schiet eens op? Of: wat dóé je nou?
Terwijl er misschien een reden is die wij helemaal niet kunnen zien.
Dat is misschien wel wat deze groep míj leert. Dat ik niet altijd hoef te begrijpen waarom iemand iets doet om er toch begrip voor te kunnen hebben. Dat een beetje geduld soms meer helpt dan irritatie.
We weten tenslotte nooit wat iemand met zich meedraagt.
Misschien hoeven we daarom niet altijd als eerste te vragen wat iemand mankeert, maar kunnen we gewoon beginnen met wat meer geduld.