Leeezzzie Zondag: ‘Hoe de keutels plonzen’

Zondag 16 oktober 2011

Door bazbo

Foto: Menno Mulder

Iedere zondag presenteert Apeldoorn Direct ‘Leeezzzie Zondag’, waarin plaats is voor een langer verhaal. Heeft u ook iets moois te vertellen en daar meer ruimte voor nodig? Stuur uw verhaal in een mail naar info@apeldoorndirect.nl.

 

Hoe de keutels plonzen

Bent u ook zo benieuwd wat ik hiervan ga maken? Het is toch iedere keer weer een verrassing wat er nu weer uit mijn vingers komt. Komt het wel uit mijn vingers? Het komt niet uit mijn tenen, dat is zeker. Zó krampachtig schrijf ik niet. Integendeel. Het gaat juist heel makkelijk. Lang hoef ik niet naar een leeg beeldscherm te kijken. Er hoeft maar een kreet te staan als ‘Hoe de keutels plonzen’ en ik begin. Waar haal ik het vandaan? Uit de dagelijkse werkelijkheid. Laat ik een voorbeeld geven.

De dagelijkse werkelijkheid begint iedere morgen met opstaan. Daarmee vertel ik niets nieuws. Uitzonderingen daargelaten. Het kan zijn dat u nachtdiensten draait, dan zal iedere morgen beginnen met naar bed gaan. Zo is de wereld voor iedereen anders. Wat kunnen we toch veel van elkaar leren!
Na het opstaan volgt bij mij een heel ochtendritueel. Ik zal u daarmee niet vermoeien. Zeker niet nu u net terug bent van de nachtdienst en verlangt naar rust en een warm bed (Welterusten!). Mijn ochtendritueel is momenteel al enige dagen grondig verstoord. Dat komt zo. De verbouwing van mijn badkamer is begonnen en dus moet ik elders mijn smoel wassen en tanden poetsen. Beneden in de keuken, bijvoorbeeld. Ik heb buiten geen pomp, vandaar. Niet wassen is geen optie, want ik heb een representatieve functie op mijn nieuwe werkplek en raad eens? Naar die nieuwe werkplek, daar moest ik vanochtend heen. Zo ver was het nog niet. Eerst wassen in de keuken, dan me de takke zoeken naar een handdoek, mijn kleren ergens zien te vinden, koffie zetten, lunchpakket maken, ontbijten, de krant uit de brievenbus halen, diezelfde krant lezen, uitbundig kakken, mail controleren, mijn tas inpakken, tanden poetsen en mijn jas aantrekken. Doodmoe word je ervan. Na al die acties heb ik er al een hele dag opzitten, zo lijkt het. En het is nog niet alles. Want terwijl ik al die dingen doe, moet ik ook nog alle andere gezinsleden zien te ontwijken want die moeten ook allemaal wassen in de keuken, zich de takke zoeken naar een handdoek, hun kleren ergens zien te vinden, koffie zetten, lunchpakket maken, ontbijten, ruzie maken wie de krant als eerste leest (ik!), diezelfde krant uiteindelijk lezen, uitbundig kakken, mail controleren, hun tas inpakken, tanden poetsen en hun jas aantrekken. Of de laatste het licht uitdoet en de voordeur achter zich op slot draait.
Ondanks de enorme puinhoop in huis (lekker kamperen in je eigen woning: een aanrader! Het test ook leuk de rekbaarheid van je huwelijk) vind ik mijn weg. Om half acht heb ik mijn jasje aangetrokken en kan ik als eerste weg.

Het is mistig en koud. Tuurlijk. Nooit mistig en warm. Of zonnig en koud. Het is wat met dat weer. Je kunt er niet van op aan. Waar ik wel van op aan kan, dat is mijn fiets. Iedere dag staat ze voor mij klaar. Daar kan menig vrouw nog iets van leren. Zelf heb ik niet te klagen, hoor. Integendeel. Maar ik ben graag een stem des volks. Geen moeite. Tot uw dienst.
Ik ben de straat nog niet uit of mijn aandacht wordt afgeleid. Een mooi meisje komt voorbij. Wat een mooi meisje. Ik vind het een mooi meisje. Als ze me net passeert, kucht ze. Het kuchen wordt hoesten. Met haar mond open. Ze blijft beide handen aan het stuur houden. Ik kan het niet zien, maar volgens mij vliegen de spetters in het rond. Gadver. Waarom zijn alle mensen zo afstotelijk als het erop aankomt?

Door mijn hoofd schiet een deuntje. Dat heb ik weer. Dat heb ik wel vaker. Heel vaak. Eigenlijk altijd. Mijn kop zit vol met muziek. Verhip, er zit nog tekst bij ook. ‘I found a way by the sound of your voice’. Leuk, maar van wie is het ook weer? Ik kom er even niet op. Als ik blijf piekeren wie dit ooit zong, dan raak ik én de melodie kwijt én mijn concentratie op de weg. Beter kan ik nog even doorzingen. Maar wat was het ook weer? Hola, een stoplicht! Remmen!
Een jochie schiet me voorbij en rijdt door rood. Ik ken het jochie wel. Hij woont bij mij in de buurt. Het is een geadopteerd negertje. Onhandelbaar ook nog ‘s. Niet dat het automatisch met elkaar te maken heeft, hoor. Auto’s remmen met piepende banden voor het ettertje. Maar goed dat het al wat licht begint te worden. Nu zien ze hem tenminste een beetje.
Het verkeerslicht is weer op groen. De auto’s zijn voorbij. Ik maak vaart.

Nu komt het fietspad door een nieuwbouwwijkje. Nog heel even en dan rijd ik langs het huis van Anna. Hier is het. Hier ergens. Anna is een mooie vrouw van ongeveer mijn leeftijd. Ik ken haar uit de kroeg en dan praat ik wel eens met haar. Soms neemt ze haar leuke dochter mee. Dan kijk ik naar de moeder en dan denk ik: “Zou de dochter later ook zo worden?” Dat is dan eigenlijk helemaal geen probleem. Omgekeerd: als ik die leuke dochter zie en hoe ze soms wat puberachtig doet, dan vraag ik me af wat voor serpent die moeder eigenlijk is. Ik weet niet precies in welk huis ze wonen. Een tijdje terug zag ik ze hier lopen. Ze staken de straat over en hadden een hond aan de riem. Uit welk huis ze waren gekomen, dat kon ik niet zien. Mij zagen ze niet. Tuurlijk niet. In de kroeg heb ik mijn haren wild los; nu ben ik op weg naar de nieuwe werkplek en zit mijn haar in een keurige staart. Hier ergens moet het zijn. Alle huizen zien er hetzelfde uit. Geen Anna en geen leuke dochter op straat te bekennen. Ik heb prettiger ochtenden meegemaakt.

Even later rijd ik door het park langs de grote hondenuitlaatplaats. Het is een ruim grasveld met enkele bosschages, afgezet met van die ‘hertenkamphekken’. Van die houten schuin rechtopstaande piketpalen. Alle ruimte voor de honden om te rennen. Maar wat is dat? Er staat een man nog geen tien meter bij de ingang vandaan een shaggie op te steken. Hij heeft een hondenriem losjes om zijn nek hangen. Ik kijk verderop en jawel hoor: daar zit zijn herdershond met gekromde rug een megabolus in het gras te leggen. Gewoon buiten de hondenuitlaatplek, in de speelplaats voor kinderen! Gelukkig ben ik erg geweldloos van aard. Bovendien heb ik geen tijd. Ik moet verder.
Pas op! Daar komt me een jongen tegemoet gefietst. Beide handen van het stuur. Hij ziet mij niet, want hij is te druk bezig met het apparaatje in zijn handen. Wat valt er vóór acht uur al te sms’en of zo? De knul is zo zeer verdiept in zijn werk, dat hij niet in de gaten heeft dat hij helemaal aan de verkeerde kant van de weg rijdt. Straks botst hij nog tegen mij op! Ik wil de ochtendrust niet verstoren met mijn fietsbel. Toch doe ik het. De jongen kijkt niet eens op. “Hé!” roep ik. Dan komt het smoelwerk omhoog. Hij grijpt met één hand het stuur en ontwijkt mij. “Kijk uit, kankerlul,” hoor ik en hij gaat verder met waar hij mee bezig was. De samenleving gaat naar de knopjes. Zeg dat ik het gezegd heb.

Nog heel even en ik ben bij de nieuwe werkplek. ‘I found a way by the sound of your voice’. Ik zal dat lied toch niet de hele dag in mijn gedachten houden? Snel de aandacht afleiden.
Kijk, daar heb je die ene jonge vrouw. Ik zie haar hier vaker. Ze draagt halfhoge laarsjes en een zeer strakke spijkerbroek met een kort tuniekje erboven. Zo zie je leuk de rondingen van haar reet. Prima geproportioneerd, dat moet gezegd. Haar blonde haren heeft ze opgestoken en haar glimlach is alom. Moet ik nog uitleggen dat ik haar een mooie griet vind? Vast niet. Het zal u niet verbazen. Vindt u het ook niet gek dat er bij het zien van dit blonde meisje wel eens vragen bij mij naar boven komen? Vragen in de trant van: Zou ze wel ’s …? Eh wacht, dat gaat me niet aan. Het meisje mag ook een privéleven hebben. Van mij wel. Daar heb ik me niet in te moeien. En jullie als lezer hebben er helemáál geen flikker mee te maken! Hou je d’r toch ’s buiten! Maar goed, waar zat ik? In gedachten. Of het mooie meisje ook wel ’s van die vunze gedachten heeft zoals ik nu. Tjonge, wat zou ik graag eens met laat maar. Het ging u geen flikker aan. Wat een taal.

Zo kan ik nog wel even doorgaan met dit soort dingen. U weet wel. De dagelijkse werkelijkheid. Daar haal ik het nou vandaan. En niet uit mijn tenen. Heus niet. De ware inspiratiebron is de dagelijkse werkelijkheid. Wie maalt er om fictie als we gezegend zijn met de dagelijkse werkelijkheid? Daar móét men zich wel in herkennen. Die bron is onuitputtelijk. Wie weet maak ik ook ooit nog wel eens een traktaat over hoe de keutels plonzen.


Apeldoorn, oktober 2011

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?