Jessica trapt

Zondag 17 mei 2015

Door Stukslaan

Omdat mijn vriendin niet meer kan fietsen maar ik toch wat inspiratie nodig heb voor mijn tweewekelijkse column, besluit ik om alleen te gaan dauwtrappen. Ik geef mijn vriendin een kus op haar wang en streel haar kort door haar prachtige krullen. Ze reageert niet; ze slaapt nog.
Om half zeven rij ik weg voor een rondje Hoenderloo. Voor alle duidelijkheid: een rondje Hoenderloo betekent: van mijn huis in Apeldoorn Noord naar Hoenderloo en weer terug. Dat u niet denkt dat ik een rondje om Hoenderloo heen fiets. Dat kán wel, maar dat ga ik niet doen.
Al snel zie ik dat ik niet de enige dauwtrapper ben. Natuurlijk niet: het is Hemelvaartsdag. De Ascensio Domini.
Ik zie tientallen fietsende hetero-setjes. De mannen altijd aan de linkerkant van het stel. De ANWB-winkel heeft goede zaken gedaan. Bijna alle stellen dragen dezelfde fleecetruien en hebben de kleur van de fietstassen daarop afgestemd. Of andersom. Ik zie ook dat bijna ieder koppel hetzelfde merk en dezelfde kleur fiets heeft. De stang is nog het enige onderscheid. Af en toe haal ik een echtpaar in en roep vrolijk “mogge!” Zelden zegt iemand wat terug. Uniseks is kennelijk niet synoniem aan beleefdheid.
Een vrouw met een blauwe gloed door haar permanentje die wél vrolijk “goedemorgen” terugzegt, wordt door haar kerel kort afgeblaft met: “waar ken je hem van?”
In de buurt van de Tullekensmolenweg weg ga ik even op een bemost houten bankje zitten. Ik eet zo’n nauwelijks-uit-de-folie-krijgend koekje en stuur mijn vriendin een WhatsApp-berichtje: ‘Het gaat lekker schat. Ben op de helft. Het is gezellig druk. Tot zo X!’
Ik blijf vanaf het bankje hardnekkig de voorbijkomende fietsers begroeten. En iedere keer trek ik mijn vrolijkste gezicht. Af en toe hef ik mijn bidon als ware het een proost op afstand.
En ook nu krijg ik nauwelijks een goedemorgen of een andere reactie terug. Het aantal apatische blikken richting mij is groot.
Ik stap weer op de fiets en rij verder. Net voorbij Beekbergen hoor ik een vrouwenstem vanuit de berm roepen: “Meneer, heeft u een fietspomp?” Ik kijk opzij en ik zie een dame geknield bij haar fiets. Ik stop. “Had u het tegen mij?”, vraag ik.
“Ja”, antwoordt de vrouw. “Ik denk trouwens dat ie lek is.” Ze wijst naar het voorwiel van de fiets. Ik pak het pompje van mijn fiets en begin de band op te pompen. Terwijl ik pomp, hoor ik de band alweer leeglopen. “Inderdaad een typisch gevalletje van lekkage”, hoor ik mezelf grappen. De vrouw lacht. Ze heeft een prachtig gebit en geinige krullen. Ik loop naar mijn fietstas en pak het bandenplaksetje eruit en hou het in de lucht. “Ik ga je helpen met plakken.” “Wat lief van je!”, roept ze. “Ik ben Jessica.” “En Ik heet Robber”, zeg ik.
Ik wip met gemak de buitenband met behulp van de plastic bandenlichters eraf en trek de binnenband van de velg. Ik zet het pompje op het ventiel en begin te pompen. Al snel vind ik gaatje, markeer het, ruw het op met een stukje schuurpapier, smeer er wat van de penetrant ruikende solutie op, blaas op de lijm totdat deze een wat dofwitte kleur krijgt en druk er een plakkertje op. Jessica zegt niets. Ik ook niet.
Na een paar minuutjes ligt de band er weer op.
“Voilà!”, zeg ik triomfantelijk. Jessica pakt mijn schouders vast en drukt, voor ik er erg in heb, een ferme kus op mijn linkerwang. Ik voel dat mijn gezicht rood wordt.
”Ik fiets gezellig een stukje met je mee!”, zegt ze breedlachend. Ze geeft me een knipoog die net iets te lang duurt. We fietsen samen verder. Ik hoef niets te zeggen. Jessica blijkt een geboren vertelster. Ik knik af en toe ja. Ze legt twee keer haar hand op de mijne.
Als we in Hoenderloo zijn zegt Jessica dat ze een ijsje wil van Co aan de Krimweg. Ik neem een bolletje Malaga in zo’n vierkant eetbaar bakje en Jessica twee bolletjes aardbeienijs in een hoorntje. ”Ik betaal!, zegt ze.
Jessica likt haar ijsje tergend langzaam op en steekt haar tong bij iedere haal overdreven ver naar buiten. We checken beiden onze Facebookberichten, worden Facebookvriendjes van elkaar en fietsen weer richting Apeldoorn.
En wéér kletst mijn fietsgenote honderduit: over haar ex, de lagere school, haar moeder en de jacuzzi die ze in haar achtertuin heeft. Ik moet maar een keertje langskomen om dat bubbelbad bij haar te proberen hoor ik haar zeggen. Ik glimlach slechts.
Ineens hoor ik een schreeuw. ”Shit!”, brult Jessica, ”kramp!” Ze remt, gooit haar fiets in de berm en gaat ernaast zitten en houdt met twee handen haar linkerbeen vast. Ze kreunt. Ze gaat liggen. “Shit, shit, shit”, kermt ze. Binnen een paar seconden ben ik bij haar en kniel op de grond. “Rustig. Je kuit?”, vraag ik zorgelijk.
Plotseling pakt Jessica mijn hoofd vast en gaat ze met haar hoofd naar dat van mij. Dan fluistert ze met een hese stem in mijn oor: “niks kramp…. ik wil je. Nu. Niemand ziet ons; jij wilt het ook!”
Ik ruk mij los uit de greep van Jessica en pak mijn fiets. Zonder achterom te kijken fiets ik weg. En ik fiets hard voor mijn doen. Héél hard. Ik hoor mezelf hijgen.
Binnen 30 minuten ben ik bezweet als een otter weer thuis.
Mijn vriendin zit aan de keukentafel.
“Lekker gefietst jongen?”, vraagt ze. “Heb je nog inspiratie opgedaan voor je columnpje?”
“Mwa”, zeg ik. “Ze hebben wél lekker ijs bij Co aan de Krimweg. Ik ga douchen.”
Op de slaapkamer hoor ik een bliepje van mijn smartphone. Ik zie een pb op Facebook: een foto van Jessica in een jacuzzi.
Eronder staat geschreven: “Schijterd! XXX”

 

Robber

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?