De steiger (7): Een derde vergrijp

Zondag 1 september 2013

Door bazbo

Marcel Mooij

Jurgen Lambal zat op het bankje op de steiger. De lucht was grijs en bewolkt. Voor de avond werd er stevige regen verwacht. Jurgen draaide een joint, stak die aan en nam een hijs. Het wachten was nu op de anderen.
Er dreef een leeg blik langs de steiger. Jurgen grinnikte. Hij dacht terug aan de feesten die hij hier op de vissteiger een tijdje terug met Anoek, Maikel en Mariska had gehouden. Ze hadden zich bijna iedere dag en avond tegoed gedaan aan energydrank, bier en breezers. Toen was het geld op. Het geld hadden ze verdiend met de verkoop van de wiet die ze ongemerkt uit de coffeeshop hadden gejat. Anoek was nu weer meer tijd bij Ricardo en Mariska was terug bij Jos. Maikel liet zich niet heel veel zien; hij sliep nog wel iedere nacht bij Jurgen in zijn flatje, maar overdag was hij altijd weg. Ze zaten niet meer zo vaak hier op de vissteiger.
Af en toe ging Jurgen aan het eind van de middag op bezoek bij Sonja, het meisje dat soms de vriendin van Maikel was, maar meestal niet. Als Jurgen bij haar was, dan kookte Sonja en aten ze samen. Na die ruzie met Maikel, waarbij Maikel haar in het water had geduwd, durfde Sonja de steiger niet meer op. Jurgen had haar geholpen en sindsdien gingen ze soms met elkaar om. Hij had haar al beter leren kennen. Ze deed parttime administratief werk bij een verzekeringsmaatschappij en voedde haar zoontje Tijs op. Behalve nu, want ze had hem tijdelijk ergens ondergebracht, uit angst dat Maikel het kind iets zou aandoen. Als ze niet aan het werk was, wilde ze zo veel mogelijk tijd bij haar kindje zijn. Sonja was zevenentwintig, had ze verteld. En hij? Toen hij ‘vierentwintig’ zei, had ze gegrapt: ‘Broekie.’ Het was vreemd; Jurgen had altijd gedacht dat mensen in een rolstoel raar waren, maar Sonja was gewoon een heel aardige meid. Alleen jammer dat ze een kind had. Toch was hij graag bij haar, ook al rookte en dronk ze niet.
Jurgen inhaleerde nog eens diep, maakte een nieuw blikje energydrank open en nam grote slokken.

Er klonk geluid van stemmen. Even later kwamen Maikel en Anoek de steiger op.
‘Hé hoi,’ zei Anoek. Ze kwam op Jurgen af en gaf hem een kus op zijn wang. ‘Nog altijd niet gewassen, joh?’ fluisterde ze.
‘Nergens voor nodig,’ zei Jurgen. Hij had zin om in haar kont te knijpen, maar hij wist zich te beheersen.
‘Jurgen,’ zei Maikel. ‘Het is zover. Vandaag slaan we de slag.’
‘Wat is het plan?’
Maikel grinnikte. ‘Hierbij vergeleken is de actie met de kratten en de winkeldiefstal uit de coffeeshop maar kinderspel.’
‘Ik ben benieuwd.’
‘Anoek, heb je meegenomen wat ik gevraagd had?’
Anoek graaide in de zak van haar jas. ‘Twee zwarte kousen. Maar waar heb je die voor nodig?’
‘Het is vandaag vrijdag,’ begon Maikel.
‘Goh,’ zei Jurgen.
‘Bek dicht!’
Jurgen schrok van de felle uitval van Maikel.
‘Vrijdagmiddag is voor veel mensen de start van het weekend,’ ging Maikel verder. ‘Veel mensen hebben dan geen zin om te koken en maken dan gebruik van de snackbar. Dus aan het eind van de avond zit er lekker veel geld in de kassa.’
‘Wou je dat jatten?’ vroeg Anoek. ‘Marcel is toch een vriend van ons? Hij werkt hard en zijn cafetaria loopt goed. Bovendien is het een ontmoetingsplek voor ons.’
‘En?’ Maikel leek niet onder de indruk. ‘Waarom denk je dat je die kousen mee moest nemen? Marcel zal niet weten wie hem vanavond overvalt.’
‘Pak dan een andere snackbar,’ zei Anoek. ‘Je gaat toch geen vriend beroven?’
‘Ik heb veel tijd gestoken in onderzoek hoe het bij Marcel in de zaak gaat rond sluitingstijd,’ zei Maikel. ‘Bij een andere cafetaria gaat het weer heel anders. Dat moeten we dan weer helemaal opnieuw uitzoeken. Daar hebben we geen tijd voor.’
‘Geen tijd?’ vroeg Jurgen. ‘Ik heb tijd zat.’
‘Bek dicht, zei ik!’ Maikel trilde. ‘Ik heb het geld nu nodig!’
Jurgen keek in zijn ogen. Maikel zag er bleek uit. Hij snoof voortdurend en de randen van zijn ogen zagen rood. ‘Zit je zo verlegen om het witte poeder?’ vroeg Jurgen.
‘Godverdommese bek dicht, zei ik toch!’ schreeuwde Maikel. ‘Het gaat je geen reet aan, maar als je het per se wilt weten: ik heb geld nodig voor dope, ja. En ook om voor mijn zoon te zorgen als ik ‘m uit de handen heb gekregen van die verrekte teef die zich z’n moeder noemt.’
Jurgen hield zijn mond en dacht even aan Sonja.
‘We doen het vanavond en we doen het bij de snackbar van Marcel,’ zei Maikel beslist.
‘En wat is mijn taak?’ vroeg Anoek.
‘Jouw rol is uiterst beperkt,’ zei Maikel. ‘Je hoeft alleen maar Marcel af te leiden.’
‘Hoe had je dat deze keer gedacht?’
‘Je papt wat met hem aan. Zorg ervoor dat hij niet in de winkel bij de kassa is. Je kunt wat vozen in het voorraadhok. Ondertussen komen Jurgen en ik door de achterdeur binnen en we proberen de kassa open te maken.’
‘Klinkt goed,’ zei Jurgen.
‘Die kassa is volgens mij beveiligd,’ zei Anoek rustig. ‘Gaat dus niet lukken.’
‘Mocht de kassa niet open willen,’ ging Maikel verder, ‘dan betrappen we jullie zogenaamd in het hok en dwingen Marcel de inhoud van de kassa aan ons te geven.’
‘Goed bedacht,’ zei Jurgen. Hij gaf Maikel een boks.

‘Ik doe niet mee,’ zei Anoek.
‘Wat?’ siste Maikel.
‘Ik doe niet mee. Marcel is een goeie vent. Gelukkig getrouwd, jonge kindjes en zo. En dan moet ik hem verleiden? Hier wil ik geen onderdeel van zijn. Ik beroof mijn vrienden niet.’
‘Hij weet niet dat wij het zijn, want we hebben de kousen op.’
‘Toch. Hier wil ik niet bij betrokken zijn. Dit gaat me te ver. Ik haak af.’
‘Hier krijg je spijt van.’ Maikel liep rood aan.
‘Ik zal jullie niet verraden. Zo ben ik niet. Geloof me op mijn woord. Maar ik doe niet mee.’ Ze draaide zich om en liep weg.
Maikel graaide in de binnenzak van zijn jas. Het leek of hij iets zocht. ‘Smerig wijf,’ zei hij.
‘Hoe laat spreken we af?’ vroeg Jurgen.
Maikel haalde zijn hand uit zijn binnenzak. Hij was duidelijk afgeleid. ‘Eh, de zaak gaat om twaalf uur dicht,’ zei hij. ‘We zullen moeten kijken of er om vijf voor twaalf nog mensen in de zaak zijn. En anders komen we via de achterkant binnen.’
‘Half twaalf hier op de steiger?’
‘Half twaalf. Zorg dat je er bent, Jurgen.’
‘Ik ben er.’
‘Anders weet ik je te vinden en dan is het voorbij met je.’
Maikel liep de steiger af. Jurgen draaide nog een joint en bleef zitten.

Marcel was alleen in de snackbar. Nog heel even en hij ging sluiten. Het was een drukke middag en avond geweest. Op een gegeven moment hadden ze met z’n vieren in de bediening gestaan. Aan klandizie had de cafetaria niet te klagen. Om elf uur was het rustig geworden en had Marcel zijn drie personeelsleden naar huis gestuurd. Hij was moe en verlangde naar zijn bed. Al meer dan een half uur was hij bezig met opruimen en schoonmaken. In de keuken was alles al zo goed als schoon. Alleen de frituren moesten nog gepoetst en de vloer gedweild. Het regende al de halve avond en de klanten hadden veel zwarte voetstappen op de witte vloer achtergelaten. Marcel nam een nip van zijn glas cola en ging verder met het sorteren van het bestek.
De bel van de deur ging. Stik, er kwamen nog klanten. ‘Ik ga zo sluiten,’ zei Marcel zonder op te kijken. ‘Als je een blik of fles of iets anders uit de koeling wilt, dat kan dat nog, maar de frituur is uit. Het spijt me.’ Toen er geen antwoord kwam, keek hij op.

Het waren twee figuren met ieder een zwarte kous over het hoofd. Marcel schrok en bleef verstijfd staan. Een van hen kwam naar hem toe. Hij haalde een groot mes uit de binnenzak van zijn jas en wees daarmee vervaarlijk naar Marcel.
‘Naar de kassa,’ siste de overvaller.
Marcel stond als aan de grond genageld. De figuur prikte in de lucht in zijn richting. ‘Oké, oké’ zei Marcel. ‘Doe me niets.’ Hij liep naar de kassa. De gemaskerde liep vlak achter hem. De andere figuur was bij de deur van de snackbar blijven staan.
‘Geld en snel,’ zei de overvaller met het grote mes. ‘Doe alles uit de kassa bij hem in de sporttas.’ Hij wees op de andere overvaller, die nu een paar stappen dichterbij deed.
‘Jurgen?’ vroeg Marcel. ‘Jurgen, ben jij dat?’
‘Dat is Jurgen niet,’ zei de man met het mes.
‘O jawel,’ antwoordde Marcel. ‘Hij heeft dezelfde stinkende kleren aan als altijd.’
‘Jezus godver, Jurgen! Lul!’ schreeuwde Maikel. ‘Had eens andere kleren aangetrokken! Dat je daar niet aan hebt gedacht! Nu heeft hij jou herkend en mij ook!’
‘Dit had ik niet van je verwacht, Jurgen,’ zei Marcel. ‘Van Maikel misschien nog wel, maar niet van jou.’
‘Hou je bek!’ brulde Maikel. ‘Zie je nou wat je voor elkaar hebt, stomme kloothommel Jurgen? Hij weet wie wij zijn. Lambal, hij kent jou! Mij! Straks haalt hij de politie erbij.’
‘Wat wil je doen, Maikel?’ vroeg Jurgen.
‘Hij mag de politie niet bellen. Nu niet en nooit niet. Niemand mag weten dat wij hier geweest zijn.’
‘Wat bedoel je?’
Maikel zette het mes met de punt op de borst van Marcel.
‘Wat?’ Jurgen stond perplex. Hij had veel van Maikel verwacht, maar dit? Nee.
‘Hij gaat eraan!’ De stem van Maikel was bijna niet menselijk meer.
‘Dan kap ik ermee,’ zei Jurgen.
‘Hoe durf je?’ krijste Maikel. ‘Dan gebeurt jou hetzelfde als Marcel hier.’
Jurgen trok de kous van zijn hoofd. ‘Doe maar. Ik wil hier niet meer bij horen.’ Hij gooide de kous en de tas van zich af en wilde de winkel verlaten.
‘Allebei!’ gilde Maikel.
Jurgen stond bij de deur en deed die open, maar draaide zich om. Toen zag hij hoe Maikel het mes op de keel van Marcel zette. Dat doet Maikel nooit, dacht Jurgen. Hij had genoeg gezien. Zonder zich te bedenken vluchtte hij naar buiten. In het wilde weg koos hij een richting. Waarheen? Daarheen? Als hij maar uit het zicht was. Rennen! Rennen! Jurgen rende van het winkelcentrum vandaan, een kant op die hij niet kende. Het regende stevig en al snel was hij drijfnat. Toch bleef hij rennen. Waar was hij? Hij werd moe, maar hij holde door en door. Wacht, hier kwam het hem wat bekender voor. Hijgend kwam hij bij een flatgebouw aan. Zijn kleren plakten aan zijn lijf.

Hij drukte op de bel. Twee keer kort. Daarna twee keer lang. Er werd niet opengedaan. Nog eens belde Jurgen. Twee keer kort en twee keer lang. Weer wachtte hij. Toen hoorde hij een stem van achter de deur. ‘Jurgen? Ben jij dat?’ Er klonk het geluid van een sleutel die in het slot werd omgedraaid en toen ging de deur een klein stukje open. ‘Jurgen?’
‘Mag ik naar binnen?’
De deur ging dicht. Jurgen hoorde gerammel van een kettinkje en even later ging de deur helemaal open. In de opening stond Sonja in de sportrolstoel. ‘Kom er gauw in. Het is hondenweer.’ Ze droeg alleen een lang zwart shirt dat tot halverwege haar knieën reikte. ‘Wat is er?’
‘Niets,’ zei Jurgen. Hij liep langs haar heen naar de woonkamer.
‘Jurgen!’ riep Sonja hem na. ‘Vertel. Wat is er gebeurd? Wat doe je hier?’
‘Niets. Ik weet het niet. Er is niets.’
‘Ben je dronken? Heb je te veel wiet gerookt?’
‘Nee. Er is niets.’
‘Wat doe je hier dan? Je bent drijfnat. Weet je hoe laat het is? Ik lag al in bed.’
‘Sorry. Ik ga al.’
‘Nee, je hoeft niet gelijk weg. Ik ben nu toch wakker.’
Jurgen ging op de bank zitten. Sonja kwam bij hem staan. ‘Wil je me echt niet vertellen wat er aan de hand is?’
‘Nee. Het is niets. Ik had niet moeten komen.’
‘Jurgen.’ Ze pakte zijn hand. ‘Je bent een vreemde.’
Jurgen Lambal keek voor zich uit en zei niets.
‘Goed,’ zei Sonja beslist. ‘Er is niets. Maar je bent doornat van de regen en straks wil je door die regen weer naar huis?’
‘Nee. Ik kan niet naar huis. Ik heb geen huis meer.’
‘Als je wilt, kun je vannacht wel hier blijven.’
‘Dat is aardig van je.’ Jurgen draaide zijn hoofd en keek haar aan. ‘Ik wil je niet tot last zijn.’
‘Is helemaal niet erg, joh. Jij had mij gered, weet je nog?’
Hij glimlachte. Zij ook.
‘Wil je iets eten?’
Jurgen schudde zijn hoofd.
‘Dan gaan we slapen. Als ik nou eerst even naar de badkamer ga, dan kun jij erna douchen. Maar geef me eerst je kleren. Dan zal ik ze in de wasmachine stoppen. Zijn ze morgen weer droog. Goed?’
‘Is goed. En waar slaap ik?’ vroeg hij.
‘O. Eh. Nou, de bank is niet zo lekker om op te liggen en het kleuterbed van Tijs is vast te klein. Ik heb een groot bed. Daar is nog een plek vrij. Ik vertrouw je wel.’

Het warme water voelde prettig aan. Ze had hem gewezen welke shampoo en douchegel hij kon gebruiken. Er was een tandenborstel en tandpasta voor hem. Minutenlang bleef hij onder de straal staan. Hij ging zelfs even zitten op het plastic stoeltje dat aan de muur vast zat. Hij zeepte zich in, waste zijn haren en spoelde langdurig af.
Ze had een grote handdoek voor hem klaargelegd. Hij droogde zich zorgvuldig af, sloeg de handdoek om zijn middel en ging naar de slaapkamer. Sonja had haar rolstoel naast het bed gereden en lag er al in. Er brandde een lampje op haar nachtkastje. Hij liep naar de lege kant van het bed, legde de handdoek op een stoel en schoof bloot onder het dekbed. Hij ging op zijn rug liggen en legde zijn handen naast zich neer. Zijn linkerhand kwam terecht op haar rechter. Ze pakte die vast en draaide zich naar hem toe. Hij draaide zich naar haar. Ze keken elkaar aan.
Sonja droeg nog steeds het lange shirt. ‘Je ruikt lekker,’ zei ze en ze streek door zijn nog natte haren. Hij stak zijn rechterhand uit en raakte haar haren ook aan. De vlechtjes voelden grappig aan. Toen liet hij zijn vingers over haar voorhoofd naar haar neus glijden. Ze giechelde. Hij glimlachte. Zijn wijsvinger raakte het ringetje in haar neus aan. Hij wilde iets zeggen, maar wist niet wat. Ze legde een vinger op zijn lippen. Van de spanning kreeg Jurgen een stijve. Sonja gaapte. ‘Welterusten, lieve Jurgen,’ fluisterde ze en ze gaf hem een kus op zijn mond. Toen draaide ze zich met haar rug naar hem toe en deed het lampje op het nachtkastje uit. Het was pikkedonker. Al snel hoorde hij aan haar regelmatige ademhaling dat ze sliep. Jurgen Lambal lag op zijn rug te staren naar het plafond en wachtte tevergeefs tot de slaap zou komen.


Wordt vervolgd.
Een volgende keer: De steiger (8): Nog een confrontatie


Apeldoorn, juni 2013

Lees ook:
De steiger (1): Schijt in mij
De steiger (2): Een ontmoeting
De steiger (3): Een eerste vergrijp
De steiger (4): Nog een ontmoeting
De steiger (5): Een tweede vergrijp
De steiger (6): Een confrontatie

 

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over apeldoorn stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?