Van stamppot naar couscous – Hoe mevrouw Ans mij thuis liet voelen
Door Bako Sorany

Als je wilt weten hoe verschillend culturen kunnen zijn, moet je niet naar politiek kijken. Je moet samen gaan eten.
In Nederland zeggen mensen: “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Dat zie je ook aan tafel. Een boterham tussen de middag, één koekje bij de koffie en als iemand vraagt: “Wil je nog wat?” dan is “nee” ook echt nee.
In Koerdistan werkt dat heel anders. Daar begint gastvrijheid pas als je voor de derde keer zegt dat je echt vol zit. Mijn moeder zei altijd: “Een gast die zonder volle buik naar huis gaat, is geen gast geweest.” Dus kreeg je gewoon nóg een schep. En nog één. Uit beleefdheid zeggen Nederlanders: “Je had dat niet hoeven doen.” Bij ons betekent dat meestal: “Dank je wel, maar schep gerust nog wat op.”
Toen ik als vluchteling in Apeldoorn aankwam, moest ik lachen om die verschillen. Maar achter die glimlach zat ook verdriet. Ik had mijn land verlaten en kende niemand. Voor veel mensen was ik “de vluchteling uit het AZC”. Terwijl ik vooral gewoon Bako was.
Gelukkig was er één iemand die daar dwars doorheen keek. Mevrouw Ans.
Via VluchtelingenWerk ontmoette ik haar. Voor anderen was zij een vrijwilliger. Voor mij werd zij veel meer. Zij zag geen dossier, geen verblijfsstatus en geen probleem dat opgelost moest worden. Zij zag een mens. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar voor iemand die alles heeft achtergelaten, is gezien worden misschien wel het grootste geschenk dat je kunt krijgen.
Mevrouw Ans leerde mij dat aandacht niet groot hoeft te zijn om van onschatbare waarde te zijn. Ze luisterde zonder haast, stelde vragen zonder oordeel en gaf mij het gevoel dat ik niet alleen welkom was in Nederland, maar ook in haar wereld.
Op een dag nodigde ze mij uit om bij haar thuis te eten. Ze had speciaal couscous gemaakt. Ik moest glimlachen.
De couscous smaakte anders dan die van mijn moeder. Minder kruiden, iets voorzichtiger… alsof de kruiden eerst een afspraak in de agenda hadden gemaakt voordat ze in de pan mochten. Maar ik proefde iets wat veel belangrijker was dan de perfecte smaak: liefde, aandacht en nieuwsgierigheid. Later kookte ik voor haar couscous zoals wij die thuis maken. Met veel kruiden, veel geur en – natuurlijk – veel te veel eten.
Nederlanders zijn trots als er aan het einde van de maaltijd niets overblijft. Koerden raken juist een beetje in paniek. “Heb ik wel genoeg gekookt?” We hebben er samen hartelijk om gelachen.
Aan die tafel stonden eigenlijk twee werelden. Haar stamppot en mijn couscous. Haar zorgvuldig geplande agenda en mijn familie, waar een onverwacht bezoek zomaar kan uitgroeien tot een feestmaal. Toch ontdekten we iets bijzonders. Niet onze verschillen brachten ons dichter bij elkaar, maar onze nieuwsgierigheid naar elkaars wereld.
Wat mevrouw Ans mij heeft geleerd, draag ik nog iedere dag met mij mee. Dat geduld sterker is dan haast. Dat luisteren belangrijker is dan meteen begrijpen. Dat achter ieder label een mens schuilgaat. En dat je met iets eenvoudigs als een maaltijd iemand het gevoel kunt geven: jij hoort erbij. Voor veel mensen is couscous gewoon een gerecht. Voor mij werd het een symbool van gastvrijheid, vertrouwen en menselijkheid. En stamppot kreeg voor mij dezelfde betekenis.
Misschien is dat wel de echte smaak van samenleven.
Niet wat er op tafel staat, maar wie er aan tafel zit. Want soms kan één persoon, die de moeite neemt om voorbij een label te kijken, het verschil maken tussen je een vreemdeling voelen en je thuis voelen.
Voor mij was die persoon mevrouw Ans.
En soms begint thuis gewoon met een bord stamppot, een schaal couscous en een open hart.
