Opdat wij niet vergeten

Zondag 27 januari 2019

Door Roelof Rump

De Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van de Holocaust is vandaag, zondag 27 januari. Deze datum is gekozen omdat op die dag in 1945 door de Russen het Duitse nazi vernietigings- en concentratiekamp Auschwitz werd bevrijd.

In Apeldoorn herdenken wij we de bijna 600 vermoorde Apeldoornse Joodse burgers door gedenkstenen. Deze gedenkstenen worden – met een ceremonie – gelegd bij woningen van waaruit Joodse families zijn afgevoerd. Deze stenen worden vlak bij de perceelgrens neergelegd. Dit aan de rand leggen van de gedenkstenen is meer dan symbolisch: over een graf loop je niet.

Bij de ceremoniële steenlegging wordt een gebed uitgesproken en – voor zover mogelijk- de geschiedenis van de weggevoerde Joden verteld. Ik was bij een steenlegging aanwezig, alle verhalen troffen mij diep, vooral onderstaande geschiedenis van de bewoners van het huis Frisolaan 28 (huidige nummering).

Vermoorde bewoners:

Jacob Samuel Wijler Lochem, Elisabeth Rose Wijler-Kolthoff,, Martha Rose Wijler Zierikzee, Rose Helene Wijler .

Wat wij over deze mensen weten:

Jacob Samuel Wijler is de zoon van veehandelaar Samuel Wijler en Martha de Groot. Jacob is één van de negen kinderen uit dit huwelijk. Elisabeth Rose Kolthoff is de dochter van godsdienstleraar Mozes Kolthoff en Rosetta Kolthoff-Wijzenbeek. Elisabeth heeft twee broers. Op 33-jarige leeftijd trouwt Jacob Samuel met de 3 jaar jongere Elisabeth Rose. Het huwelijk wordt voltrokken op 28 november 1917 in Almelo. Het echtpaar krijgt twee dochters: Martha Rose en Rose Helene. Sinds 1920 woont het gezin in Apeldoorn. Jacob is in dat jaar benoemd tot docent Frans aan de Koninklijke HBS en later ook aan het gymnasium. De oudste dochter Martha Rose voltooid in Apeldoorn haar opleiding tot onderwijzeres.

Als de nazi’s in Nederland de wetten veranderen om zo Joodse burgeres steeds meer buiten kunnen sluiten en te isoleren, kan het gezin Wijler niet meer als gewone Nederlanders door het leven gaan; al is Jacob Samuel een deskundige en gewaardeerde leraar, hij wordt op 22 november 1940 ontslagen, omdat hij ‘van Joodschen bloede’ is. Na zijn ontslag geeft hij vanuit zijn eigen huis bijles. Ook geeft hij reguliere lessen aan Joodse kinderen die niet meer op de HBS worden toegelaten.

Op 1 september 1941 worden alle Joodse kinderen van de andere scholen verwijderd, ze kunnen alleen nog op daarvoor bestemde scholen onderwijs ontvangen. En Martha Rose mag niet op een ‘gewone’ school lesgeven. Haar eerste – tijdelijke – baan, waarmee ze in december 1941 begint, is die van onderwijzeres aan de Joodse school aan de 1e Koningsdwarsstraat. Jongste dochter Rose Helene mag na haar middelbare schooltijd niet doorstromen naar de universiteit. Ruim twee jaar na het begin van de oorlog wordt Rose Helene aangenomen als assistente op de Joodse school.

Na de zomervakantie van 1942 komt onderwijzeres Martha Rose niet terug op school; bij navraag blijkt dat ze met haar zus en ouders is ondergedoken om aan arrestatie en deportatie te ontkomen. De commissaris van politie te Apeldoorn verzoekt opsporing, aanhouding en voorgeleiding van de vier gezinsleden.

Het gezin geeft hun huis, vermogen, bezittingen en hun vrijheid op. De gezinsleden worden van elkaar gescheiden; beide zusjes vinden onderdak bij de familie Kievit aan de Bosweg 81, Jacob Samuel en Elisabeth Rose worden via een tussenadres in een turfschip door het Apeldoorns Kanaal naar Epe gevaren. Daar worden zij in rieten manden het huis van de kantonnier van Rijkswaterstaat, de familie Van Dijk, binnengebracht.

Alleen met brieven kunnen ouders en dochters nog enig contact onderhouden. In januari 1943 stopt dit ineens; de ouders ontvangen geen berichten meer van hun dochters. Het echtpaar leeft in grote  onzekerheid. In februari horen zij dat Martha Rose en Rose Helene zijn verraden, opgepakt en afgevoerd naar Westerbork. De zusjes worden op 13 januari 1943 in Kamp Westerbork geregistreerd. Vijf dagen later vertrekken zij met transport 44 van Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Op 21 januari 1943 worden zij vermoord.

Ook de heer Kievit, bij wie ze waren ondergedoken, wordt gearresteerd wegens hulp aan Joden. Hij sterft op 28 februari 1943 in het concentratiekamp Nordhausen. Zijn weduwe blijft achter met een dochtertje.

Jacob Samuel en Elisabeth Rose willen na het bericht dat hun dochters zijn verraden niet meer verder leven. Ze zeggen dit ook tegen de familie Van Dijk. Deze zorgt ervoor dat er altijd iemand thuis is, om te voorkomen dat het echtpaar zelfmoord pleegt.

Op 2 maart 1943 is er, omdat er een buurtfeestje is, even niemand bij het echtpaar aanwezig. Als de familie van Dijk thuiskomt, zijn Jacob Samuel en Elisabeth Rose verdwenen. Op tafel liggen hun trouwringen en twee afscheidsbriefjes, waarin staat dat ze het kanaal zijn ingelopen. Een zoektocht levert niets op.

Omdat het om onderduikers gaat, is aangifte doen bij de politie niet mogelijk. Pas op 23 maart wordt vlakbij de sluis in Heerde het lichaam van Jacob gevonden. Het lichaam van Elisabeth wordt twee dagen later in het kanaal in de gemeente Epe ontdekt. Directe identificatie van beiden is onmogelijk, onder andere omdat ze zonder identificatiepapieren en trouwringen de dood zijn ingevlucht. De arts die sectie doet kan zien dat het om een Joodse man gaat, maar zijn identiteit is niet te achterhalen.

Beiden worden anoniem begraven, Jacob Samuel in Heerde en Elisabeth Rose in Epe. Pas na de bevrijding kan de familie van Dijk alle informatie over het echtpaar Wijler overdragen aan de autoriteiten. Het graf van Elisabeth Rose wordt redelijk snel op haar naam gezet, dat van haar man pas in 1958. Op 12 en 20 augustus 2002 zijn beiden naast elkaar herbegraven op het Ereveld in Loenen.

Martha Rose en Rose Helene zijn vermoedelijk slachtoffer geworden van een wraakactie door een jaloerse vrouw. Zij verdacht haar man van overspel en wilde hem daarvoor laten straffen. De vrouw belde een NSB’er en vertelde dat haar man illegale blaadjes in huis had. Ze wilde hem enige dagen laten opsluiten. Ook gaf zij adressen waar mensen waren ondergedoken. De politie, onder leiding van C.W. van den Berg belde aan bij het huis waar de zusjes Wijler verbleven. Zij werden meteen gearresteerd en naar het politiebureau gebracht.

Na de bevrijding:

Journalist David Levie heeft in de jaren negentig van de vorige eeuw contact gezocht met de weduwe Kievit. Zij leidde een zeer teruggetrokken leven en bleef tot het eind van haar leven aan de Bosweg wonen. Tot zijn grote verrassing reageerde de als zeer schuw bekend staande mevrouw Kievit op een brief die David bij haar in de brievenbus had gestopt. De intieme gesprekken die de twee met elkaar voerden leverden een uitgebreid verhaal op dat in de Apeldoornse Courant (toen nog geen Stentor) is geplaatst.

Naschrift:

Een joods gezegde luidt: “Je bent pas vergeten als men je naam niet meer weet”. “Als joden een graf bezoeken, laten ze vaak een steen(tje) achter. Met dit eeuwenoude gebaar eren ze hun doden en houden ze de herinnering aan hun dierbaren levend. Wat let u om wat kiezelsteentjes op deze gedenkstenen te leggen: Op dat wij niet vergeten. ’

Bronnen:
Familieleden van gezin Wijler, CODA archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork en het boek ‘In Memoriam’, Westerbork Portretten, Historisch Centrum Overijssel en onderzoek door Bart Meijer en David Levie,

Over de foto’s:
De vier gedenkstenen, liggend in het park, tegenover de woning Frisolaan 28. Waarom deze stenen – in tegenstelling tot alle andere gedenkstenen – niet bij de perceelsgrens zijn geplaatst, is mij niet bekend.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over cultuur

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?