Lege blikken

Zondag 6 mei 2012

Door bazbo

Marcel Mooij

Voor mij staat een lang meisje. Ik kan haar leeftijd niet goed inschatten. Ze heeft een korte, maar dikke jas aan. Ze drukt op wat knoppen en ik hoor piepjes. Er klinkt muziek. Vreselijk, die muzak hier in het winkelcentrum. Van iets verderop hoor ik stemmen.
‘Wat nou?’ gilt het meisje voor mij. ‘Niet zo’n grote bek, ja?’
Ik kijk naar rechts. Gelukkig, ze heeft het niet tegen mij. Vanaf de supermarkt komen nog vier meisjes aangelopen. Deze zijn jonger, een jaar of veertien, in ieder geval kleiner. Of het meisje voor mij is groter, dat kan natuurlijk ook. Als ze aan het puberen zijn, wil de groei per persoon nog wel eens verschillen. Vertel mij wat. Zelf was ik een ukkie tot een jaar of achttien. Ik voel in mijn jaszak. Daar zit mijn bankpas.
‘Hé, dag Marco,’ hoor ik een van de meisjes zeggen. Er zit kennelijk iemand net om het hoekje. Iemand die Marco heet. Ik kan hem niet zien.
Het meisje voor mij haalt geld uit de automaat en stopt het in haar portemonnee. De andere meisjes komen bij haar staan. Ik wil ook pinnen. We gaan naar het café en daar is nog geen betaalautomaat. Vrouwlief is een stukje terug haar fietstassen aan het legen. Die zitten vol drankpakken en lege blikken. Ik heb het glas in de container gedaan en sta nu met mijn fiets aan de hand. De meisjes beginnen met elkaar te kletsen en hebben niet door dat ik er graag even bij wil. Of wacht, toch wel. Het grote meisje geeft een ander een duw. ‘Ga opzij, die meneer wil erbij.’ Het clubje gaat een eindje verderop achter mij staan.
Ik zet mijn fiets tegen de muur en steek mijn bankpasje in de gleuf. Het apparaat vraagt mijn pincode. Die toets ik in. ’s Kijken, hoeveel geld zal ik halen? Ik kies voor ‘Bedrag- en biljetkeuze’. Zestig ballen, dat lijkt me wel even voldoende. Nee, geen transactiebonnetje. Huppa, daar is mijn pasje weer. Ik stop hem in het hoesje. Dat moet best snel, want mijn geld komt ook al uit de gleuf. Gelukkig, het is me gelukt om het pasje in de binnenzak van mijn jas te steken. Ik tel het geld niet na. Het zal wel. Zes briefjes van tien. Ik stop ze in mijn rechterbroekzak. Dan pak ik mijn fiets en loop ik de hoek om.
De man zit niet op zijn gebruikelijke plek, maar hier in het winkelcentrum. Het regent, vandaar. Hier zit hij droog. Hij draagt zijn afgetrapte spijkerbroek, sportschoenen en zijn groene jas. Wat verdwaasd kijkt hij uit zijn ogen. Zijn gezicht lijkt nog pafferiger dan de vorige keer dat ik hem zag. Aan zijn voeten ligt een plastic tas. Ik weet wat erin zit. Hij neemt een slok uit het blik dat hij vasthoudt.

Meestal houdt hij een bank langs het kanaal bezet, tweehonderd meter verderop. Ik zie hem heus wel. Dan kom ik voorbij gefietst, op weg naar de supermarkt of de Turkse winkel aan de overkant van het kanaal. Hij kijkt voor zich uit; zijn lichaam altijd in dezelfde houding. Voeten onder de bank, knieën uit elkaar, rechtop, schouders naar achteren, hoofd fier omhoog. Kort krullend haar en een snor. Een onopvallende man. Pas als je dichter bij hem komt, merk je zijn bleke vlezige gezicht en zijn wallen onder de grijze ogen met wijde pupillen. De blik uit die bloeddoorlopen ogen is wat afwezig. Het blik in zijn hand brengt hij naar zijn mond. Het is van dat goedkope supermarktbier. Af en toe zie ik hem met een zware plastic tas van de supermarkt naar het bankje sjokken. Soms zegt hij iets als ik langskom en een kratje achterop heb. ‘Ook zo’n dorst?’ vraagt hij dan. Of: ‘Proost.’ Ik zeg niets. Ben ik bang? Ik voel wel mededogen. Zelf drink ik ook een biertje en ook op een bank, maar mijn bank staat in mijn veilige thuis, omringd door lieve mensen. Hij zit alleen. Hoewel. Soms krijgt hij gezelschap van anderen en zit er iemand naast hem op de bank. Dan hebben ze allebei een blik in de hand en een blik in de ogen. Ze spreken niet met elkaar; ze drinken. De berg lege blikken naast het bankje wordt groter en groter. De wezenloze blik in de ogen van de man ook. De blikvanger is nog geen honderd meter verderop. Maar meestal zit hij er alleen. Zeker als de zon schijnt. Toch staart hij in het kanaal.
’s Avonds is de bank langs het kanaal leeg. Dan is hij in het winkelcentrum. Ik zie hem er wel eens als ik in de kleine pizzeria sigara böreki kom halen: opgerold flinterdun bladerdeeg gevuld met geitenkaas. De man komt binnen en koopt bier. De vriendelijke oude eigenaar knikt hem toe. Hij mag op een barkruk plaatsnemen en zijn fles leegdrinken. Tot last is hij niemand. Ik vraag me van alles af. Wie is hij? Wat heeft ertoe geleid dat hij in deze wereld van lege blikken is terechtgekomen?

Er komt iemand achter mij langs gereden. Het is Vrouwlief. We gaan naar het café, waar leuke muziek zal klinken, lekker witbier geschonken wordt en we goede mensen zullen ontmoeten. Ik stap op mijn fiets en maak vaart. De man die Marco heet neemt nog een slok. De groep meisjes van daarnet wist zijn naam. Hij zei niets terug. Ik hoor het pubergeschreeuw achter mij. ‘Hou je bek, man!’ De man boert.
Ik doe net of ik hem niet zie, fiets hem voorbij en verlaat zijn wereld. Een wereld die ik niet ken, maar simpel doordat ik naar hem kijk maak ik er toch een beetje deel van uit.
Het regent nog altijd.


Apeldoorn, januari 2012


(Dit is de oerversie van dit stuk. Een compactere versie las ik op vrijdag 23 maart 2012 voor tijdens het festijn Boek & Bal in Coda, Apeldoorn)

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?