bazbo: ‘Crowdsurfen in Apeldoorn’

Zondag 11 december 2011

Door bazbo

Marcel Mooij

‘De man van nergens’ (7)

De man van nergens zat aan de bar en staarde in zijn glas.
“Ha Bas,” klonk het. Ik keek op. Het was Bob.
“Ha,” was mijn antwoord. “Goed dat je er bent. Biertje?”
“Biertje. Hoe laat gaat de zaal open?”
“Volgens mij is die al open.”
“Hoe laat zou het beginnen, dan?”
“Volgens de site om negen uur. Als ik het goed heb, zou er ook nog voorprogramma zijn. En is het om elf uur afgelopen.”
“Alvast naar binnen gaan?”
“Ik wacht even op Paulus. Die heeft mijn kaartje. Heb jij dat van jou bij je?”
“Tuurlijk. Nogmaals bedankt. Het was een leuk cadeau voor mijn verjaardag.”
“Graag gedaan.” Ging dit nog ergens over? Dat werd nog wat vanavond. Het bier stond voor ons. Ik klokte het mijne snel bijna leeg.
Er klopte iemand op mijn schouder. Ik keek om. Niemand. Ik keek de andere kant om. Daar stond Paulus met een grijns op zijn smoel. Wat een rotgrap. ’t Was dat ik op een barkruk zat en hem zo niet makkelijk met mijn knie in zijn kruis kon raken. “Wil je iets drinken?” vroeg ik.
“Nee, dank je,” zei Paulus. Flikker dan op. Maar hij had mijn kaartje. Hoe of het met hem ging. Nog last van zijn rug? Beetje wel. Niet raar na twee herniaoperaties. “Laten we naar binnen gaan,” zei hij.
Bob had zijn glas nog half vol. “Ik neem mijn bier wel mee.”
“Ik weet niet of dat lukt,” zei ik. “Het zal binnen wel plastic zijn.”
“Dat denk ik ook,” lachte Paulus met grote ogen.
Beneden in de zaal leverden we onze jassen in bij de garderobe. Paulus bleek een rood T-shirt te dragen met daarop de naam van de hoofdact van vanavond. Hij is de Heideroosjesfan. Op de rug van het shirt stond: ‘I’m not deaf; I’m just ignoring you’. Hoe stupide. Op mijn shirt stond de kop van Frank Zappa. Ook stupide, als je erbij stilstond. Maar ik hield mijn colbertjasje aan. In de rechterzak ervan had ik mijn fototoestel; in de linkerzak zaten de extra batterij en het lege geheugenkaartje. In mijn rechterbroekzak zat een stapeltje bankbiljetten en in mijn onderbroek mijn dinges.

Ik keek om mij heen. Er waren meer mannen met zo’n rood Heideroosjesshirt. Veel meer. Behalve Bob, Paulus en ik was er niemand zo oud. Als er ook maar iets gebeurde wat me niet beviel, was ik weg. Mijn keel deed zeer. Toch bleef ik.
Het voorprogrammabandje was al bezig. Ik ging de heren voor en liep naar achteren in de zaal. Volgden ze mij? Zowaar. We passeerden de bar. Ik vond een goede plek op de verhoging net achter de PA. Goed zicht en goed geluid. Het geluid was écht goed. En dat met zulke kutherrie. Bob kwam naast me staan. In zijn handen had hij drie plastic bekers bier. Ik kreeg er eentje. De krent. Nee, grapje. De andere was voor Paulus. Maar waar was die gebleven? Bob liep een stuk terug. Daar, bij de trap naar beneden, daar stond hij. Gezellig. Bob zag hem niet.
Op het podium stond een jong bandje. Knullen met ruime broeken en shirts. Plus een zangeresje. Leuk meidje. Fijne rondinkjes en een blonde paardenstaart bovenop het koppie.  Ze kon niet stilstaan en barstte van de energie. Bovendien had ze een fijne strot. Wat eruit kwam was loepzuiver. Tsjonge. Punkrock is mijn muziek niet. Wat deed ik hier? Bier drinken, dan maar. Toch oppassen. Ik had thuis al een flesje of wat gehad en de vrijdagavond was nog jong. Ik kan er niet goed meer tegen. Watje.
“Hé mensen, bedankt!” gilde het zangeresje. “Leuk dat jullie er allemaal zijn. Mijn ouders zijn er ook.” Barst. Waar zijn de tijden gebleven? De tijden dat rock ’n roll voor the young and beautiful people was en niet voor ouwe lullen. Of wacht. Ik heb zelf ook een volwassen zoon. Die wilde niet mee. Die wilde liever blijven gamen op zijn slaapkamer. Zo kwam hij nooit met een leuke meid thuis. Zo’n leuke meid als het zangeresje, bijvoorbeeld. Kijk, ze zwaait in mijn richting! Zwaait ze naar mij? Ik wierp een blik naast me. Daar stonden een man en een vrouw die nóg ouder waren dan ik. Het zouden haar papa en mama wel zijn. De beide bejaarden knikten naar mij. Ik zette grote ogen op alsof er iets heel engs naast mij stond. Dat was ook zo.
Daar was Bob weer. “Ik kon hem haast niet vinden,” zei hij.
Uit beleefdheid hield ik mijn plastic beker omhoog. “Proost.”

Het voorprogrammabandje probeerde er iets van te maken. Ze hosten en sprongen en headbangden wat ze konden. Het publiek stond er een beetje sulligjes bij. Apeldoorn rocks. Het laatste nummer was bijna ten einde. “Wij waren This City Shines!” riep het zangeresje. “Apeldoorn, bedankt!” Tief op, tut. Ze deed het ook nog. Op het podium ging het licht uit.
“Vond je het goed?” vroeg de moeder aan mij.
“Heel energiek,” zei ik. “Je hoort niet vaak dat een zangeres zo goed boven de band uitkomt. Ze kan er wat van.”
De mama glom van trots. Ik ging snel bier halen.
“Proost maar weer,” zei ik tegen Bob. Ik had twee glazen meegenomen. Paulus moest nog rijden, dus die mocht toch niet drinken. En fris bestellen bij de bar, daar had ik nou eens helemaal geen zin in. Ze zagen me aankomen. Weg was mijn goede naam dan. Ik zou me kapot schamen.

Niet veel later betraden De Heideroosjes het podium. De zaal gilde. Ik niet. Eerst maar eens wat spelen, gasten. Dat deden ze. Het klonk niet onaardig. Al snel was duidelijk waarom de drank in plastic geschonken werd. Vóór het podium was het een geduw en gesjor van jewelste. Jongemannen gooiden elkaar heen en weer. Bier vloog over de hoofden. Ik haalde mijn fototoestel tevoorschijn en schoot een plaatje. Vooruit, nog eentje. Even later zelfs een filmpje. Morgen thuis maar eens kijken of het wat was geworden. Normaal gesproken zorg ik er wel voor dat ik helemaal vooraan kan staan, zodat ik mooie beelden kan maken, maar deze keer leek me dat niet verstandig.
Ik keek eens rond. Kijk, daar schuin vóór mij, iets beneden, daar keek iemand achterom naar mij. Het was de vriend van mijn achterbuurmeisje. Hij droeg ook zo’n rood T-shirt. Ik hief mijn glas. Nee, mijn plastic beker. Hij hief de zijne. Plots verscheen daar naast hem het hoofdje van het achterbuurmeisje tussen de mensen. Ze lachte en zwaaide naar mij. Ik hief mijn plastic beker nog maar eens. Toen keek ik om mij heen. Jammer dat niemand zag dat ik contact had met zo’n leuke jonge meid. Ach wat, zeikerd. Je weet het toch? Je bent een man van nergens, een man van nooit en een man van niets.

“Hé Bas,” zei iemand in mijn oor. Het was Reinier. “Wat doe jij nou hier? Ik wist niet dat jij iets met De Heideroosjes had?”
“Heb ik ook niet,” riep ik. “Maar het is de afscheidstour en een vriend van ons wilde gaan en vroeg of ik ook ging.”
“Zeg dan maar eens nee.”
“Nee. Inderdaad. Hij staat daarginds ergens in de menigte te headbangen.”
“En? Wat vind je d’r van?”
“Het is totaal mijn genre niet, maar toch vind ik het wel aanstekelijk. Leuk om te zien hoe die fans zo uit hun dak gaan.”
“Vind ik ook. Ze trekken zelfs hun kleren uit.” Voor het podium stonden tientallen jongens met ontbloot bovenlijf elkaar heen en weer te gooien en te smijten.
“Wat kan mij dat nou schelen, vent?” zei ik. “Kijk liever vlak vóór je.”
“Wie? Wat?”
“Hier! Daar! Voor je neus! Die jonge vrouw die zo leuk met haar gatje staat te schudden!”
Reinier lachte. Ik niet. Hoog tijd om bier te halen.
“Jij bier?” vroeg ik hem. Hij knikte. “Voor mij ook graag,” zei ik erachteraan. Reinier keek me niet-begrijpend aan. “Ik ga al!” riep ik. Iemand moet het toch doen. Ik keek om me heen. Bob en Paulus waren nergens te bekennen. Dan niet.
“Twee bier,” stak ik twee vingers op bij de bar. Zowaar, al snel stonden ze voor mijn neus. Dat viel dan weer mee. Vier euro zestig. Dat viel dan weer niet mee.
“Hier. Reinier. Bier.”
“Dank je.”
Ik hield mijn plastic beker omhoog. Hij ook.
“Ik moet een recensie maken over dit concert voor de stadsblog,” vertelde Reinier. “Maar ik weet niet of dat gaat lukken.”
Wat een ongelofelijke minkukel, zeg. “We kunnen het ook samen doen,” hoorde ik mijzelf zeggen.
“Huh? Hoe bedoel je?”
“Nou, dat jij een beginnetje maakt en ik aanvul en zo bouwen we dan een stukje op.”
“Ik zie het nog niet zo.”
“We kunnen er een dialoog van maken. Zoiets als wat we nu aan het voeren zijn.”
“Ach, zo.”
“Even piesen; werken we de plot zo verder uit.”
“O.”

Ik begaf mij naar de toiletten.
Onderweg hield iemand mij staande. “Ooh, wat heb jij mooi haar!” riep ze uit. Het was een prachtig meisje. Jaar of vijfentwintig, lange donkerblonde haren, zwarte kledij en grote donkere ogen.
Ik wist niet goed wat ik moest zeggen.
Ze drukte zich tegen mij aan en liet mijn lange grijze manen door haar vingertjes glijden. Wel lief. Zou ik haar een kus op d’r wang geven? “Net zo mooi als dat van mij,” zei ze in mijn oor. Volgens mij was ze zo zat als een zuignap. Nee, toch maar geen kus op d’r wang.
“Dat zullen we nog wel ’s zien,” zei ik en ik pakte haar lokken voorzichtig beet. Ze voelden zacht aan. “Inderdaad, heel mooi,” gaf ik toe. “Mijn haar wordt altijd wat pluizig,” vertelde ik erachteraan.
“Joh, dan moet je meer conditioner gebruiken!” riep ze. Waarom vallen vrouwen uiteindelijk altijd tegen?
“Ik ga ’s pissen!” zei ik en ik liep verder. “Toiletten noemen ze dat,” siste ik. “Een trog, bedoelen ze.” Ik zette mijn plastic beker op de grond, opende mijn broek en haalde mijn dinges tevoorschijn. Mijn dinges, mijn mooie trouwe dinges. Zuinig dat ik erop ben! Er is maar één Vrouw die hem mag aanraken. Iedere andere vrouw die een poging waagt, is een nare snol die een goed huwelijk kapot wil maken. Of de verpleegkundige bij mijn vasectomie. Ik loosde een forse hoeveelheid afvoerwater.
“Wat hangt die goot hoog,” hoorde ik een bekende stem achter mij zeggen. Het was de vriend van het achterbuurmeisje.
“Dat is de wasbak,” zei ik. “Je kunt hem herkennen aan de kraan.”
“O.”
Kon ik mijn braken inhouden? Ja, ik kon het. Ik kon ook mijn beker bier terugvinden. Niemand had hem omgeschopt. Dat viel alleszins mee. Eén teug en hij was alsnog leeg. Bij de bar stond Reinier.
“Reinier, doe ’s bier,” zei ik.
“Zullen we dat doen?” vroeg hij.
“Natuurlijk doen we dat. Ik zeg het toch?”
“Dat is waar.”

Hij werd geholpen door een roodharige meid achter de bar. Naast de bar stond een jochie van een jaar of tien. Of twaalf. Wie houdt dat grut uit elkaar? Het knulletje stond naar de band te kijken en lichtjes mee te bewegen met zijn hoofd. Geinig.
Ik kreeg mijn bier. Mooi zo.
“Hoe gaan we dat doen met die recensie?” vroeg Reinier.
“Gewoon een dialoog voeren. Een gesprek. We praten met elkaar over de dingen die we zien en horen.”
“Hoe maken we dat dan?”
“Mailen. Heen en weer mailen.”
“O. Oké. Ik denk dat ik morgenmiddag wel tijd heb.”
“Doen we. En er moeten natuurlijk een paar dingen zéker in.”
“Zoals?”
“Zoals het zangeresje en haar ouders, het achterbuurmeisje, die meid die zo leuk met haar gatje staat te schudden, de lieve laveloze griet die mijn haar zo mooi vindt, het gezeik bij de trog.”
“Leuk wel, die Heideroosjes.”
“Je moet het een keer meegemaakt hebben. Als ze zo een toegift geven, dan ga ik naar voren. Maak ik wat filmpjes. Voor bij onze recensie.”
“Goed idee, Bas.”
Natuurlijk was dat een goed idee. Ik heb ze niet anders. Zuchtend keek ik opzij. Daar stond het jongetje. Hij keek mij aan, stak zijn duim op en zei met grote ogen: “Goed, hè?”
“Goed, man,” zei ik.

Het moment was daar. De Heideroosjes hadden het podium verlaten, maar kwamen weer terug.
“Ik ga naar voren,” zei ik. En toen tegen het jongetje: “Ga je mee?”
Even dacht hij na. Toen knikte hij met grote ogen. Daar gingen we. Ik ging hem voor. Het kostte me vanaf de zijkant niet veel moeite om helemaal vóóraan te komen. Ik wrikte een opening tussen de lui die over de monitorboxen heen gingen en gebaarde naar het knulletje dat hij in het gat moest gaan staan. Hij deed het ook nog. Geef mij zo’n zoon.
Het leek wel of die Marco Roelofs zijn oksels scheert. Wat een mietje. Met z’n malle tattoos. Ik schoot een boel foto’s en filmde enkele liedjes. Ondertussen ging het raggende volk ruig verder met tegen elkaar aan duwen en botsen. Er ging zelfs een gast omhoog. Crowdsurfen in Apeldoorn. Goede titel. Wam! Daar kreeg ik een beuk. Ik bleef op de been. En wam! Nog een dreun. Een bazbo blijft overeind, wat er ook gebeurt. Niet lachen. Ik deed het om het jochie te beschermen. Ik zei toch: niet lachen? Waarom doe je het dan toch? Je weet toch dat ik het ben?

Het betere gooi- en smijtwerk was ook weer afgelopen toen de band definitief ermee kapte voor vanavond. Het jochie draaide zich om en keek me aan. “Dank je,” glinsterden zijn ogen. We verlieten de dansvloer. Daar troffen we Reinier. Die was in gesprek met de rossige meid van achter de bar.
“En was het leuk?” gilde ze naar de knul. Ze was zijn mammie. Ach gut.
“Joa,” zei het jochie.
“Dank je wel,” zei ze tegen mij. Ik kreeg toch geen zoenen, hè? Ze had een piercing in haar onderlip. Lijkt me au. Ik kreeg geen zoenen.
“Graag gedaan,” zei ik. “Ik heb mijn eigen zoon vaak mee naar voren gesleept bij concerten.” Vraag me niet waarom ik hier nu zo stond te liegen.
“Gaan we boven nog wat drinken?” vroeg Reinier.
“Mooi plan. Even mijn jas halen.”
Naast de garderobe stond het zangeresje van de eerste band. Ze had plots een dikke zwarte uilenbril op.
“Dat was koel,” zei ik tegen haar. Hoe kreeg ik het uit mijn bek?
“Dank je wel,” glom ze. Leuke meid. Maar van mijn dinges bleef ze af.

“Ik heb nog net genoeg voor een biertje voor ons tweetjes,” zei Reinier boven in het café.
“Armoedzaaier.”
“Ik was met een tientje van huis gegaan, in de veronderstelling dat ik De Heideroosjes met een half uurtje wel gezien zou hebben.”
“Waar blijft mijn bier?”
“Hier.”
“Proost.”
We gingen zitten aan een tafeltje. Hé, daar kwam Bob ook. Even later volgde Paulus.
“Ik ga gelijk naar huis, want ik moet nog een uur rijden,” zei die.
“Sterkte,” wenste ik hem toe. “Fijn je niet gesproken te hebben.”
Hij lachte en verliet het pand. Bob had een biertje voor zichzelf gehaald.
“Was wel leuk, hè?” vroeg hij.
“Ja, wel leuk,” zeiden Reinier en ik.
“Klonk ook best goed. Ik kwam die oude drummer van een oude band nog tegen.”
“Speel je in een band, dan?” vroeg Reinier.
“Nee, ik doe iets met geluid.”
“Scheten laten als geen ander, bedoelt hij,” zei ik.
Bob hoorde het niet. “Ik verzorg de PA bij een bandje. Of verzorgde, moet ik zeggen.” Hij verslikte zich in zijn bier. “Mijn dochter komt me zo ophalen.” Hij kwam niet helemaal meer uit zijn woorden. Zo lam als een leguaan, dat kon je zo zien. “Dan ga ik maar.”
“Bob, de ballen.” Weg was hij.

“Bas, dat wordt een dijk van een recensie,” zei Reinier.
Dat werd het ook, maar dat wist ik op dat moment nog niet. Ik ging naar huis. Door de kou slingerde ik mijn fiets. Thuis gooide ik mijn jas van mij af. Even later was ik boven in mijn slaapkamer. Daar vielen mijn kleren op de grond en stortte ikzelf op mijn bed.
Het laatste wat ik wist, was dat ik het was.

Apeldoorn, december 2011

 

ONDERWERPEN

Muziek

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?