bazbo: ‘Geheugen kwijt’

Zondag 18 december 2011

Door bazbo

Marcel Mooij

Zo. “Ik zal mijn stukje voor vandaag eens inplannen,” dacht ik vorig weekend. “Een moeite van niets, maar het moet wel even gebeuren, anders leest de lezer óók helemaal niets.”
Ik schrijf mijn stukjes op allerlei plaatsen waar ik ben. Als me wat te binnen schiet, dan pak ik een papiertje en een pen en krabbel ik mijn invallen neer. Een Waarachtig Schrijver heeft dan ook altijd papier en een pen bij zich. Mijn kontzak puilt vaak uit van de vele briefjes. Als ik aan het werk ben, dan tik ik af en toe steekwoorden in een leeg document. Aan het eind van de werkdag sla ik dat document op een usb-stick op.
Thuis begint dan het grote werk van ordenen, uittypen en herschrijven. Aangezien ik de hele dag door allerlei invallen heb die niet eens iets met elkaar te maken hebben, werk ik aan tientallen stukjes tegelijk. Niet alleen stukjes, ook nog eens aan twee complete boeken. Al zijn die boeken nog niet compleet. Al dat materiaal staat op dat usb-stickje. Zo klein en zo kostbaar. Wat is het me dierbaar. Ik hecht niet zo aan materieel bezit, maar dit stickje is de uitzondering. (En mijn muziekverzameling. En de boeken in de kast. En mijn rubber kippen. En mijn foto’s. Ach, vergeet die zin.)

Zoals gezegd: het inplannen van het stukje is een werkje van niets. Ik kopieer mijn verhaal vanuit Word naar het Kladblok. Daarin maak ik alle aanhalingstekens ‘recht’. Kwestie van Zoeken en Vervangen. Vervolgens kopieer ik de tekst van het Kladblok naar het programma waarmee we de stukjes inplannen. Dat programma heet WordPress. Even mijn mooie foto bovenaan, cursiveren waar nodig en eventueel een foto of een linkje naar YouTube invoegen. O ja, en dan moet natuurlijk ook ingevuld wanneer het stukje op Apeldoorn Direct moet verschijnen. Vandaag, 18 december om 08.00 uur is dat. En de status moet van ‘Concept’ naar ‘Inplannen’. Dan moet het helemaal goed komen. Als je nu niets leest, dan is het dus niet goed gekomen.

Goed, inplannen dus. Het was zaterdagavond de tiende, dus ik was flink op tijd. Ik houd ervan om vroeg in de week mijn stukje aan te leveren, zodat ik (of de eindredacteur) nog ruim de gelegenheid heb om mijn verhaal na te lopen op fauten die er niet in staan.
Even mijn stick erbij pakken. Die zit in mijn werktas en die staat standaard in het halletje, naast de paraplubak. In het halletje was het koud. Ik zette de tas op de kast, zodat ik makkelijk het aparte zijvakje kon openen. Met mijn vingers voelde ik. Niets. Behalve mijn portemonnee.

Geen stick. Stik. Waar was dat ding? Zou ik hem per ongeluk in een ander zijvakje gedaan hebben? Nee, ook daar zat-ie niet in. Ik voelde lichte paniek opkomen. Wild opende ik het grote vak van de tas. Mijn hand gleed langs de vaste spulletjes: een schrijfblok, een tijdschrift, een rol pleepapier (je zult maar moeten wildkakken onderweg), een lege plastic tas. Maar geen stick.

Twee dagen terug was me hetzelfde overkomen. Ik wilde ’s avonds mijn aantekeningen van die dag gaan uitwerken en toen was mijn stick óók weg. Was me nog nooit gebeurd. Diep, diep in mijn geheugen vond ik wat beelden. Op de nieuwe werkplek had ik drie woorden ingetypt en toen ging ik naar huis. Ik haalde de stick uit de pc en ging opruimen. Ik sloot het ladeblok af en de sleutel legde ik op de vaste plek in een ander kastje. Nu schoot me een flard te binnen dat ik de stick niet in mijn tas had gestopt, maar in mijn kastje had gelegd, vlak naast de sleutel van mijn ladeblok. Mooi. Dan was hij niet weg. Het klopte. Een dag later kwam ik weer in mijn kantoor, opende het kastje en zie: daar lag hij. Ik nam het kleinood in mijn hand en streelde het zachtjes. Zou ik een kus erop drukken? Ik ben een sentimentele en nostalgische melancholicus, maar helemaal debiel ben ik nog net niet.

Maar nu? Nu was hij wéér weg. En ik kon me niet herinneren dat ik hem deze keer wéér in het kastje had gelegd. Wanneer had ik hem voor het laatst gebruikt? Wacht. Gisteren, vrijdagmorgen. Ik had in twee kantoren gewerkt. In het ene kantoor was ik met dossiers aan het rotzooien. Tussendoor had ik de pc aangedaan en mijn stick erin gedouwd. Toen ik klaar was, had ik alles afgesloten en mee terug genomen naar mijn eigen kantoor. Dieper en dieper groef ik in mijn herinnering. Volgens mij, aan het eind van de ochtend, toen het tijd was om naar huis te gaan, had ik de stick nog in mijn hand gehad. Dan moest ik hem in mijn tas hebben gestopt. Of niet. Of niet! Ik wist het niet meer. Ik wist het niet meer! Ik kon mijn kop wel tegen de muur aan beuken.
Wat gebeurde er met mij?

Mail naar huis, twee dagen eerder:
“Schat, ik rijd vanmorgen op weg naar de nieuwe werkplek langs de markt, sta ik bij de kaaskraam en wil ik pinnen, weet ik toch de pincode niet meer! Was het nou 8329 of 3829 of 2938 of watdanook? Na twee pogingen ben ik gestopt en uiteindelijk heb ik uit allerlei hoeken en gaten van mijn tas en jaszakken die negen euro bij elkaar gepeuterd. Nu weet ik hem nóg niet meer, die code. Weet jij hem? Liefs. P.S. Ik ben dement.”
Terug van boodschappen doen, die zaterdag:
“Lieverd, ik was in de Aldi omdat je had gevraagd daar iets te halen. Loop ik daar door die Aldi en plots weet ik niet meer wat of ik kwam kopen. Ik heb dat te vaak, de laatste tijd.”

Wat gebeurde er met mij?
Die stick bleef weg. Ik ploegde mijn jasje door, haalde alle zakken en binnenzakken binnenstebuiten, vond van alles, maar geen stick.
“Schat,” zei ik de volgende dag, zondagmiddag na de brunch. “Ik fiets even naar de nieuwe werkplek. Volgens mij heb ik mijn usb-stick daar laten liggen.”
“Dan vind je hem dinsdag toch weer?”
“Maar dat is me te laat. Voor de zekerheid ga ik hem toch even halen. Ik ben met een uurtje terug.”
“Wat staat erop dan?”
“Zeker tien kostelijke stukken voor de komende tijd op Apeldoorn Direct. En al mijn boeken, waaronder twee nieuwe: eentje helemaal af en eentje voor 75% klaar.”
“Daar heb je toch wel een backup van?”
“Ben je gek? Vergeet het maar.” Ik had het me vaak genoeg voorgenomen. Toch was het er nooit van gekomen. Stom. Had ik het maar gedaan. Dan had ik nu geen probleem.

Buiten was het koud en regende het. Heen had ik de wind mee. Twintig minuten later stond ik in mijn kantoortje alle lades en kastjes open te rukken. Niets, nergens. Dan naar het andere kantoor. Ook daar niets. Nóg eens in mijn kantoor alles langslopen en daarna in het andere kantoor óók nog eens. Vooruit, een dérde keer. Nee, nee en nog eens nee. Hij lag er niet.
Terug had ik de wind en de plensbui tegen. Zeiknat kwam ik thuis. Druipend gooide ik mijn werktas en mijn jasje voor de zoveelste maal op z’n kop. De werkelijkheid was gruwelijk.
Hoe vroeg ik ook naar bed ging; slapen kon ik niet.

Mijn mooie verhalen! Weg? Mijn schitterende boeken! Verdwenen?
Met mijn schrijftempo heb ik zo weer een nieuw voorraadje verhalen, dus dat was de ramp niet. Wel jammer, want er zaten een paar zeer goede werkjes bij. Maar die twee nieuwe boeken, da’s nog wel het ergste. Het ene is weliswaar een bloemlezing van mijn recentere stukjes, maar het andere, dat is helemaal nieuw. Al meer dan anderhalf jaar ben ik ermee bezig. Wat een schitterende zinnen staan erin. Potjandomme. Een ei, dat ben ik. Waarom maak ik geen kopie op mijn harde schijf?

Als ik nu alles kwijt was, betekende dat dat ik als de wiedeweerga iets nieuws voor zondagmorgen moest maken. Maar waar moest dat over gaan? Geen idee. Ondertussen weet u het wel.
Ik ben mijn geheugen kwijt.

Apeldoorn, december 2011

Naschrift:
“Vind je het goed als ík je tas eens goed doorkijk?” vroeg Vrouwlief.
“Ik heb hem ikweetniethoeveelkeer doorzocht,” zei ik. “Maar als jij denkt dat je hem dan toch nog kunt vinden: ga je gang.”
“Hier. In het achtervakje. Hij was in je portemonnee gegleden.”
“Zo kan ik het ook.”
Vrouwlief is mijn steun en toeverlaat, dat bleek maar weer. Hoe kon ik het vergeten? Ik ben dement.

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?