bazbo: ‘Kerststemming’

Woensdag 21 december 2011

Door bazbo

Marcel Mooij

De donkere dagen voor Kerstmis waren het. En zo kon je het vandaag wel noemen nu. Zeer toepasselijk. Op straat zag je niet veel. Wat wilde je ook? Het was pas tien over half acht of zo. De meeste mensen hadden vast al vakantie. Hoe lang moest ik nog werken? Niet lang. Vandaag was mijn laatste dag. En dan begonnen de feestdagen. Nou ja, eerst nog een boel inkopen doen. Had ik er al zin in?
Een dun regentje viel op mij neer. Normaal gesproken vind ik het heerlijk om naar mijn nieuwe werkplek te fietsen. Het maakt mijn hoofd even leeg en ik werk nog aan mijn conditie ook. Vijfentwintig minuten stevig doortrappen. En dan ’s middags ook weer vijfentwintig minuten terug. Lekker. Behalve vandaag dan. Eerst regen en nu dan ook nog het vooruitzicht op wagonladingen inkopen en tweeëneenhalve dag noodgedwongen gezellig zitten doen. U begrijpt: wij vieren Kerstmis dit jaar buitenshuis.
Ik werd nat. Logisch, want ik had mijn paraplu niet open gedaan. Toen ik van huis wegreed, was het nog droog. Oké, na honderd meter vielen er wat druppeltjes, maar het leek me nog niet nodig om mijn paraplu uit mijn fietstas tevoorschijn te trekken. Wat ben ik soms toch een stoere machoman.
Ik moest wachten bij een verkeerslicht. Dat stond op rood, vandaar. De auto’s van rechts mochten nu. Dan kon straks het verkeer van rechtdoor naar rechts (voor de kijkers links) en daarna was ik op het fietspad aan de beurt. Ik floot maar eens een deuntje. Vrolijk was het niet. Wat was het? Geen idee. Het zal ‘Starless’ wel weer zijn. Dat zit de laatste dagen weer veel in mijn kop.
Groen! Rijden!

Ik was vroeg. Meestal rijd ik hier een minuut of tien later. Maar vanmorgen ging alles vlotjes en ik had de wind nog mee ook. Als ik dit kruispunt oversteek, komen me vaak allerlei scholieren tegemoet. Nu niet. Raar dat tien minuten zo’n verschil maakt. Ik was helemaal alleen.
Eenmaal overgestoken schoot ik een woonwijk in. Hier was het erg donker. Een enkele kleine lantaarnpaal scheen waterig licht op het rode asfalt. Links en rechts heb je huizen met voortuintjes. De bewoners van een enkel huis hadden in het tuintje een dennenboompje versierd met wat lampjes. Nog even en dan kwam ik langs een pleintje. Volgens mij woonde Anna hier ergens in de buurt. Ik had haar hier wel eens zien lopen, met een hond aan de lijn. Anna is een mooie vrouw met een leuke dochter. Ik vind ze allebei zeer lief en aantrekkelijk. Verder maak ik me geen illusies.
Het pleintje was voorbij. Langs dit stukje van het pad stonden geen lantaarnpalen. Gelukkig deed de lamp van mijn fiets het goed. Geen dynamo meer, maar iets in het wiel zelf. Weet ik veel; zo technisch ben ik niet.

Maar wat was dat? Het hele fietspad werd hier plots fel verlicht. Het deed gewoon pijn aan mijn ogen! Wat was dit? Invasie van de marsmannetjes? Onze Lieve Heer terug op aarde? De vuurwerkramp van Enschede nog eens dunnetjes over, maar dan in Apeldoorn?
Het immense licht kwam van rechts! Ik stopte en zette een voet aan de grond. Met een hand boven mijn ogen keek ik in de richting van een van de huizen.
Vóór de tuin stond een heggetje. Daarin bevonden zich duizenden blauwe lampjes. Ze knipperden. Ze knipperden! En fel ook. Je zou d’r een epileptisch insult van krijgen. Het was hier toch geen disco? Achter de lage heg stonden een stuk of vier potten op het terras voor het raam. In iedere pot stond een grote ster van felle lampen. Boven het raam hingen verticale lichtslangen. Er kwamen lichtschichten van boven naar beneden geschoten. Alsof de aarde werd bestookt door vallende sterren.
Het kon echt niet vroeger zijn dan kwart voor acht. Welke gek had hier vergeten het licht uit te doen?

*

“Dat is mijn moeder niet,” denk ik. Ik kijk naar de man die over haar heen gebogen zit. “Dat is mijn vader.” Vaders moeten sterk zijn en dat is hij ook. Deug ikzelf wel als vader?
Mijn vader strijkt door de grijze strengen van haar haren. Weg zijn de zwarte krullen uit mijn jeugd.
“Hoe laat zou je zus terug zijn?” vraagt vader.
“Ze ging de boodschappen halen,” leg ik uit. “We weten niet hoe lang de situatie zo blijft. Dan is het handig om toch wat in huis te hebben.”
“O, dan zal ze zo wel komen.”
“Het is vast druk in de winkel op de dag voor Kerstmis. Ik bel haar wel even.” Blij dat ik een moment de kamer uit mag. Op de gang klap ik de telefoon open. 24 december 2010, lees ik in het kleine schermpje. Kerst zal nooit meer hetzelfde zijn. En dan moet het nog beginnen. Ik toets door het telefoonboek heen en vind een nummer. Drie keer gaat de telefoon over. Dan wordt er opgenomen. Ik noem mijn naam.
“We hebben net de kerstboodschappen uitgepakt,” zegt mijn zus gelijk. “Nu eten we even iets en dan kom ik weer terug.”
“Ik moet je wat vertellen,” zeg ik. “Ma is vijf minuten geleden …” Mijn stem stokt.
“Ik mag niet eens een broodje van haar eten!” onderbreekt ze met volle mond. “Ik kom eraan.” Klik. Tuut.
Ik doe de telefoon uit en ga terug naar het kamertje. Er staat nu ook een jongedame in een wit uniform naast het bed. Is ze leuk? Ze heeft mooie lange haren en een leuk lachje. Verder vind ik niets van haar. Dit is een van de belangrijkste momenten in mijn leven, schiet het door mijn kop. Moet ik ervan genieten?
De jongedame in het witte uniform legt haar hand op de grijze strengen. “Je moeder ligt er mooi bij,” zegt ze. “Zo vredig.”
Ik heb zin in oorlog. Dat is mijn moeder niet. Mijn moeder is heel anders. Mijn moeder leeft nog. Deze is dood.

*

Achter mij hoorde ik mijn fiets op het asfalt vallen. Ik stapte op het hegje af en greep het snoertje tussen twee van de honderden blauwe knipperlampjes in de heg beet. Rhang! Een stevige ruk gaf ik eraan. Dat ging makkelijk. Snel trok ik het snoer naar me toe. Nog een ruk. Zo, de helft van de lampjes lag al los. Even een stamp op een van de lichtjes. Krak. Mooi, die gingen uit.
Dan die sterren in de potten. Eerst maar eens een harde schop ertegenaan. Hielp niet. Ik pakte één van de sterren beet, hief hem hoog boven mijn hoofd en sloeg hem tegen de terrastegels. Bam! De lampjes knipperden. Bam! Nog eens. En nog. Bam! Licht uit.
Nu stond ik voor het raam van het huis. Er brandde licht binnen. Naast het raam groeide een klimop. De naam zei het al. Ik klom snel een meter omhoog en kon zo de streng lampen boven het raam vastpakken. Toen liet ik mijzelf naar de grond vallen. Een groot deel van de lichtslang kwam mee.
“Hé!” hoorde ik binnen een mannenstem roepen. “Wat moet dat!”
Ik gaf een ferme ruk aan de slang van lichtjes. Die schoten nu vertraagd door hun buisjes. Maar ze deden het nog wel. Nog een ruk. Meer en meer strengen kwamen los van de gevel.
De voordeur ging open. “Hou daarmee op, vandaal!” Een man in een joggingbroek stond voor mijn neus. Niet lang. Hij kwam op mij af! “Waarom doe je dat?”
“Ik doe het licht voor je uit,” zei ik. “Kleine moeite.” Weer een ruk. De verlichting knipperde nog steeds, maar lag nu al wel voor meer dan de helft op het terras.
“Weet je wat dat kost?” schreeuwde de man. In deze barre tijden draait alles om geld. Hoe erg! Waar zijn de tijden van liefde en aandacht voor elkaar gebleven? De man deed nog een stap naar mij toe. Ik rook zijn adem. Volgens mij had hij zijn tanden nog niet gepoetst. Hij hief zijn vuist.
RAM! Mijn knie was razendsnel omhoog geschoten. Ik ben nog best kwiek voor mijn leeftijd. De man greep naar zijn kruis en zakte piepend ineen. Ik haalde uit en schopte hem in zijn gezicht. Hij viel opzij. Ik wikkelde een deel van de lichtslangen om zijn nek en trok deze strak aan. Bij hem ging ook het licht uit.
“Wat doet u?” hoorde ik een vrouwenstem. In de deuropening stond een mens in een ochtendjas. D’r haren zaten in de war. “Heeft hij pijn?” Ze kwam naar de man toe en boog over hem heen. “Ik zeg altijd dat hij ’s morgens vroeg niet zonder jas de vuilnis buiten moet gaan zetten en nu zie je maar wat ervan komt.”
“Hij was vergeten om het licht uit te doen,” zei ik.
“Hij is te jong voor Alzheimer,” was het antwoord.
“Ik wilde hem ermee helpen, maar dat wilde hij niet.”
“Tja, hij is altijd wat licht ontvlambaar. Zelf ben ik veel heet. Geloof het of niet; ik heb nu ook weer zin. Heeft u een gróte penis? Zou u niet even willen?”
Ik gaf de vrouw een kopstoot. Mij bedreigen, daar houd ik niet van. Bovendien, ik was zeer tevreden met mijn gemiddelde formaatje. Zo’n kopstoot, dat deed zeer. Niet alleen bij mij, maar volgens mij ook bij de vrouw. Ze gilde. Ik pakte een pot met een onverlichte ster en smeet die naar haar mond. Het paste niet. Ook de vrouw viel neer. Ik kon weer verder met mijn werk aan de gevel.
Met twee laatste rukken kwam de rest van de lichtslangen naar beneden. Het licht was gedoofd. De duisternis was wedergekeerd.
Ik liep terug naar mijn fiets en stapte op. Hijgend maakte ik vaart.
Nee, ik was duidelijk nog niet helemaal in de stemming voor Kerstmis.

Apeldoorn, december 2011

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?