Geheime wereld

Zondag 1 juli 2012

Door bazbo

Marcel Mooij

Making it up in our secret world
– Peter Gabriel

Ik duw mijn rug tegen de grote glazen deur en laat me door mijn knieën zakken. Langzaam schuif ik omlaag tot mijn billen de grond raken. Mijn tas zet ik naast mij neer. Ik leg mijn arm eroverheen en sluit mijn ogen. Zou het lukken om te slapen? Ik ben bang van niet. Daarom doe ik mijn ogen ook maar weer open. Onopvallend kijk ik rond.
Ik ben niet de enige. Om mij heen zitten tientallen andere mensen. Het zijn merendeels Oost-Aziaten. Tenminste, ze hebben spleetogen. Mag je dan zeggen dat het Oost-Aziaten zijn? Een mevrouw heeft haar hoofd gelegd tegen haar enorm grote koffer. Die koffer is groter dan zijzelf. Een enkeling ligt gewoon languit over de stoep. Iemand snurkt. Niemand kijkt raar. Dit is de gewoonste zaak van de wereld.

Als ik doorloop, haal ik het waarschijnlijk net. De Haarlemmerdijk is langer dan ik denk. En het is er nog steeds druk, ondanks dit late uur. Hoe laat is het eigenlijk? Iets voor half twaalf. Zo laat is het dus niet. Her en der zijn nog enkele kleine winkeltjes open. Buurtsupers, nachtwinkels. Ik heb trek, maar geen tijd om iets te kopen. Straks mis ik de laatste trein. Daar is een klok. Veertien over elf. Nog tien minuten. Zal ik een stukje hardlopen?
Ik weet het. Ik haal het niet. Te laat. Laatste trein naar huis gemist. Dan moet ik de nacht zien door te komen. Mijn geld is bijna op en ik heb geen bankpas bij me. Stom. Wat zal ik doen? Ik loop door naar het station. Misschien haal ik hem toch nog. Nee, vergeet het maar. Nog een grachtje. Verzin het maar.

‘Meneer,’ klinkt de stem. Ik hef mijn hoofd. ‘Meneer, het station gaat sluiten. Wilt u het perron verlaten?’
‘O, eh … ik heb de laatste trein gemist en wacht nu op de eerste trein van morgenvroeg. Mag ik niet blijven zitten hier?’
‘Het spijt me, we gaan sluiten. De schoonmaakploeg komt zo. Om half zes gaan we weer open.’
Aan de overkant, op een ander perron, zie ik hoe de schoonmaakploeg te werk gaat. Met een hogedrukspuit gaan ze tekeer. Daar wil ik niet in zitten. Ik sta op, pak mijn tas en ga de trap af naar de stationshal. Met mij nog wat andere gestrande reizigers. Hoe laat is het? Ik zoek een klok en vind er eentje. Het is kwart voor drie. De eerste trein gaat om iets voor half zeven. Nog meer dan drie uur te gaan. Wat ga ik eens doen? Een rondje lopen, dan maar.

Wat een concert! Sjonge. De emoties gutsen weer van het podium. Mooi geluid, lekkere sfeer. Ha, die sfeer komt ook grotendeels door Billy. Grote lol met hem. Als vanouds. Dan deert de regen niet. Ik heb een wegwerpregenjas bij me; hij vier vierkante meter plastic. En hij heeft mijn camera meegenomen. Ik was hem een week ervoor kwijtgeraakt toen we samen in een taxi naar zijn huis zaten. Nu heb ik hem weer. Kan ik gelijk wat foto’s en filmpjes maken. Een nieuwe bui dient zich aan.
De man op het podium vertelt dat deze hele zomertour al is geplaagd door regen, maar een hoosbui zoals vanmiddag heeft hij nog niet gezien. Speelt hij Red Rain? Nee, dat dan weer niet. Wel krijgen we het venijnig kriebelende Intruder, het meeslepende Signal To Noise en het almachtige Secret World. Ik ben er stil van. Billy ook. Ademloos ondergaan we het concert. Na afloop duikt Billy bij vrienden in een auto. Weg is hij. Ik loop naar het station. Ga ik de laatste trein halen? Ik ben bang van niet.

Op het Damrak is het een drukte van belang. Auto’s en fietsen. Overal getoeter. Ik kom ogen en oren tekort. Ook op de Dam is het druk. Geen levende standbeelden, maar schreeuwend, drinkend en waggelend uitgaanspubliek. Allerlei mensen komen me tegemoet als ik over het Rokin loop. De meesten zijn luidruchtig, zwalken en zingen. Bij de Munt sla ik rechtsaf. Op het Spui is het net zo’n krioelboel als overdag. Ook de Nieuwezijds Voorburgwal is propvol. Geen auto’s, maar vooral fietsers. Jongeren die aan het stappen zijn. Men belt, schreeuwt en lalt. Amsterdam is een gekkenhuis, ook ’s nachts. Dan sta ik weer voor het station. Hoe laat is het? Hoe lang ben ik weggeweest? Nog geen uurtje. Ik zucht en zoek een plekje tegen de glazen deur van de ingang.
De mevrouw met de spleetogen en de enorme koffer slaapt. Zij wel. Ik niet. Een meneer ligt plat op zijn buik met een jas over zich heen. Twee kindjes zitten zwijgend. Eentje laat het hoofdje voorover vallen. Een man heeft zijn schoenen uitgetrokken. Sokken draagt hij niet. Hij had zijn voeten wel eens mogen wassen. Mijn wereld draait. Mijn ogen vallen dicht.

– de vlucht. De vlucht. Er is een plek waar ik veilig ben. Vroeger heette die plek de zolderkamer. Uren kon ik er zitten, mijzelf verliezend in platenhoezen. Ik leefde in een geheime wereld waarin ik onbevangen. Echt. Zijn. Ik durfde zelfs. Dat meisje iets te zeggen. Voorbij de eenzaamheid. Waar ik dan geborgen. Een glimlach. Een plaatje. De angst. Maar in mijn fantasie. Desnoods.
En nog. De krochten van mijn bovenkamer zijn mijn thuis. Zelden laat ik iemand binnen. Er is een iemand. Zij wel. Al snapt ze er soms niets van. Geeft niet. Het mag er zijn. Zij mag. Geen geheim en toch ook zeer. Samen schuilen. Veilig. De vlucht –

Plots is er rumoer om mij heen. Ik doe mijn ogen open. De mensen om mij heen staan op en gaan het station binnen. Ah, dan is het half zes. Ik krabbel overeind en pak mijn tas. De glazen deuren schuiven uiteen. Ik loop. Op het perron is de vloer nat. Ik zoek een bankje. Daar is er een. Ik ga zitten. Mijn hoofd valt gelijk opzij. Ik schrik op.
Zal ik nog wat kopen? Wat dan? Heb ik wel tijd? Nee, ik heb geen tijd. Daar is de trein. Ik stap in en ga zitten. Is hier ergens een klok? Niet binnen. Stel je voor dat je de machinist erop zou betrappen dat hij op tijd rijdt. Ik kijk naar buiten. Verderop op het perron hangt een grote klok. Het is kwart over zes. Nog tien minuten en dan gaan we rijden. Ik dommel. Dan schrik ik op. We rijden. Eerst langzaam, maar al vlug steeds sneller. Mijn hoofd valt knikkebollend omlaag. Plots staan we stil. Verrek, ik moet uitstappen. We zijn in Amersfoort. Ik graai mijn spullen bij elkaar en snel naar buiten. Daar trek ik mijn jas aan. Ondertussen loop ik naar de andere kant van het perron en sleep ik mijn tas achter me aan. Ik ben nog maar net op tijd. Als ik de andere trein binnen spring, gaan de deuren dicht. Is er nog plek? Ja, op dit moment van de zaterdag is er nog plek zat. Hijgend plof ik neer. Tegelijkertijd vallen mijn ogen dicht. Slaap ik? Nee, ik slaap niet. Veel te bang dat ik de eerste stop mis. Doodmoe bereik ik die eerste stop. ‘Apeldoorn. Station Apeldoorn.’ Ik sleur mijzelf over het station naar de plek waar de bussen arriveren. Na vijf minuten komt mijn stadsbus. Het is half acht. Een kwartier later open ik de voordeur van mijn huis. Nog geen twee minuten daarna stort ik mijzelf in bed, naast mijn Vrouwlief, die in diepe nevelen is gehuld.
En dan val ik in slaap. De alles overdonderende muziek blijft in mijn hoofd. Mijn geheime wereld.


Apeldoorn, mei 2012

Een allesverklarend filmpje ziet en hoort u als u hier klikt.
(Opgenomen in het Westerpark, Amsterdam op 29 juni 2007 – afgelopen vrijdag alweer vijf jaar geleden – camera: bazbo)

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?