Leeg

Zondag 21 april 2013

Door bazbo

Marcel Mooij

De man van nergens (10)

Mijn glas was leeg.
‘Wil jij iets drinken?’ vroeg Ben. ‘Of moet ik dat anders vragen? Wat drink jij?’
‘Ik drink niets,’ zei ik. ‘Nu niet, in ieder geval. Dat komt zo. Mijn glas is leeg. Maar ik wil wel een vol glas. Vol met Korenwolf, kan dat?’
Ben stond niet op van de stamtafel, maar stak zijn hand op en keek naar de bar. Daar zwaaide iemand. ‘Kom eens hier!’ riep Ben.
Daar was het prachtige barmeisje. Met haar handjes op haar rug stond ze bij de stamtafel. Iedere keer als ik die enorme bos zwarte krullen zag, iedere keer als ik haar ondeugende lachje op haar lippen ontdekte, iedere keer als ik in haar donkere ogen keek, dan verzoop ik, verzoop ik, verzoop ik. Dan verzoop ik in heimelijke wensen en verwachtingen die van zijn levensdagen nooit werkelijkheid zouden worden.
‘Mag ik een Korenwolf van je?’ vroeg ik haar dus maar.
‘Eén Korenwolf.’ Ze stak een vingertje op.
‘Voor mij nog een grappa,’ zei Ben.
‘Eén grappa.’ Ze stak een tweede vingertje op.
‘Jij nog rosé?’ vroeg Ben aan de vrouw die schuin tegenover ons zat.
‘Ik? Ik heb nog,’ zei Lena.
‘Dat was de vraag toch niet?’ zei ik.
‘Doe dan maar een rosé.’
‘Eén rosé.’ Er ging een derde vingertje omhoog.
‘Rode wijn graag,’ zei Henk naast mij. Hij keek niet op of om. Zijn oogleden hingen zwaar en zijn glas zag eruit alsof hij er nog niet een keer van had genipt.
‘Een Korenwolf, een grappa, een rosé en een rode wijn,’ telde het barmeisje. ‘En de rest van de tafel?’
De rest van de tafel bliefde even niets.
‘Een Korenwolf, een grappa, een rosé en een rode wijn,’ zei het barmeisje nogmaals. Toen draaide ze zich om en liep, met haar vier vingertjes nog steeds opgestoken, terug naar de bar. Ik vond haar achterkant ook heel mooi.

Voor een late zaterdagmiddag was het best druk hier in café Dopehond. Alle krukken aan de bar waren bezet en in het voorste gedeelte van de kroeg de meeste tafeltjes ook. Of er achterin het café nog mensen zaten, kon ik niet zien. Aan de muren hingen nog steeds de kliederwerken van een lokale kunstenaar. Buiten was het koud. Officieel was de lente al begonnen, maar de winterse buien hielden aan. Binnen was het aangenamer. Tenminste, qua temperatuur in ieder geval wel. Mijn eigen temperatuur steeg en mijn hart ging sneller slaan toen het prachtige barmeisje weer bij de stamtafel kwam staan. Op de vingertoppen van een hand droeg ze een dienblad met daarop vier glazen.
‘Een rosé. Een grappa. Een rode wijn,’ zei ze, terwijl ze de glazen bij ieder voor de neus zette. ‘En voor jou een Korenwolf.’
Ik werd blij en keek haar aan. ‘Dank je wel,’ glimlachte ik.
Ze hield haar hoofdje scheef en ik hield het bijna niet meer.
‘Waar heb je je vrouw gelaten?’ vroeg Lena. Ze had twee glazen rosé voor haar neus. De een was zo goed als vol, de andere helemaal goed vol.
‘Die heb ik weg moeten doen,’ zei ik nonchalant. Oude grap.
‘Weg moeten doen?’ Lena zette grote ogen op.
‘Ja, na al die jaren begon ze slijtage te vertonen. Bovendien is het zo dat De Zoon naar een of andere film wilde, dus daar is ze nu met hem naartoe.’
‘Ze is bij de film?’
‘In de bioscoop.’ Voor de doven of dommen onder ons. ‘Na afloop komt ze me ophalen.’
‘Ik schrok al. Je zei dat je d’r weg hebt moeten doen.’
Het was maar goed dat haar man er nu niet was. Misschien zou hij op ideeën zijn gekomen.

Ik keek de kroeg eens rond. Eigenlijk is café Dopehond helemaal niet zo’n leuke kroeg. Toch was het hier nog altijd beter dan café De Paffende Snol. Daar was ik altijd min of meer stamgast, tot ik een keer mot kreeg met eigenaar Volle Fred, zijn zaak beu werd en op zoek ging naar een andere stamkroeg. Dat werd dit café Dopehond. Vervelend was wel dat er een paar vaste klanten van De Paffende Snol met mij meeverhuisden. Helaas was dat niet het barmeisje Samantha met de grote tieten, maar wel iemand als Luide Theo. Hij was er vandaag ook weer. Net was hij even buiten om te roken, maar nu zat hij ginds op een barkruk, met harde stem tegen iemand anders aan zeurend over zijn belabberde relatie met een vrouw. Maar goed dat er even geen gitaar in de buurt was, want anders zou hij nog gaan zingen ook. Luid. Heel luid.
Wie zat er nog meer aan de stamtafel? Ben met zijn grappen en grappa. Henk zat er. Hij was ooit eens vaag actief geweest in de plaatselijke politiek en misschien was hij dat nog steeds. Nu in ieder geval niet, want hij klokte de ene rode wijn na de andere weg. Gust was druk in gesprek met Lena. Gust deed iets in de commercie en ook iets met muziek; ik weet niet wat. Aardige en joviale vent; hij deelde volop bier uit. Lena was een charmante en meestal zeer beminnelijke vrouw, die iets te onbevangen inging op iedere avance van elke kerel die haar benaderde. Helemaal aan de andere kant van de grote stamtafel zat Dove Martha te praten met een tweetal vrouwen die ik niet kende. Dove Martha was nogal doof. Omdat iedereen in het café door elkaar heen praatte, riep ze voortdurend: ‘Ik kan je niet verstaan! Ik ben een beetje doof!’
Een raar zootje bij elkaar, maar toen ik aan het eind van deze middag dit café Dopehond binnenkwam, begroette iedereen mij zeer vriendelijk. Of ik erbij kwam zitten. Dat deed ik.

‘Mijn glas is leeg,’ zei Ben. ‘Dat van jou ook.’
Ik keek en het klopte wat Ben zei.
‘Ik kan niet tegen lege glazen,’ lachte Ben om zichzelf. ‘Pas als ze weer vol zijn, voel ik me lekker.’
‘Dan zal ik halen,’ zei ik. ‘Het is mijn beurt. Wat dronk jij ook weer? Grappa? Of was het wodka?’
‘Wodka, daar zit geen kleur aan en geen smaak aan en ik vind er niets aan.’
‘Dat is juist het mooie,’ zei ik. ‘Als je bij een alcoholcontrole moet blazen, kunnen ze aan je adem niets ruiken of afmeten.’
‘Wodka, daar zit geen kleur aan en geen smaak aan en ik vind er niets aan.’
‘Dat zeg ik. Ik ben een tijd lang zeer afhankelijk geweest van wodka. Ik kon alle merken uit de slijterij blind uit elkaar houden. Maar toen ik op het punt kwam dat ik iedere op doordeweekse avond tweederde liter wegzoop, hield ik het voor gezien. Ik koop het niet meer en ik drink het niet meer.’
‘Ik heb het ooit een keer gedronken,’ vertelde Ben trots. ‘In Polen. Daar hebben ze de beste wodka, zeggen ze. Maar ik vond er geen kleur aan en geen smaak aan en ik vond er niets aan.’
‘De beste wodka uit Polen? Krijg nou een perineumperforatie. Wie heeft je dat wijsgemaakt?’
‘Nou, dat weet ik niet meer, maar het was iemand die wist te vertellen dat de beste wodka uit Polen komt.’
‘Let op, Ben,’ zei ik. ‘Ik weet waarover ik het heb. Er bestaat heus wel goede wodka uit Polen, maar je moet wel weten welke. Een vriend van mij had op een feestje eens een fles wodka. Was speciaal voor mij, zei hij. Had hij meegenomen uit Polen. Kwam van een plaatselijke destilleerderij. Er had een belletje moeten gaan rinkelen of liever nog zo’n nieuwe klok van de Notre Dame. Ik nam zegge en schrijve één slok. Ze hebben me op een stoel gezet. Daar heb ik de rest van de avond laveloos gezeten. Op de terugweg heb ik de auto ondergekotst. Van binnen en van buiten. Twee dagen later kwam ik enigszins bij en kon ik weer wat rechtop zitten. Van Polen is bekend dat ze enorm met de wodka knoeien; aanlengen met spiritus en zo.’
‘Wodka, daar zit geen kleur aan en geen smaak aan en ik vind er niets aan.’
‘Jij nog iets drinken?’
‘Moet je dat vragen?’ vroeg Ben. ‘Kom eens in de benen, jongen.’

Graag. Ik mocht weer naar het prachtige barmeisje.
‘Een grappa voor jou, neem ik aan,’ zei ik. ‘Iemand verder nog iets?’
Stik. Zatte Henk wilde nog een rode wijn.
‘Wat voor?’
‘Paso,’ zei hij met dikke tong. ‘Uit Argentinië.’
‘Lena?’
‘Nou vooruit.’
‘Martha?’ vroeg ik naar de andere kant van de tafel.
‘Wat zeg je?’ riep Martha.
‘Of je iets wil drinken,’ articuleerde ik. Ik gebruikte er wat gebarentaal bij. Staat altijd interessant. Niet dat ik het kan, overigens. Maar je maakt er wel indruk mee.
‘Ik? Drinken?’ schreeuwde Martha. ‘Wat zal ik ’s nemen? Doe maar een rode wijn!’
‘En mag ik een gewoon pilsje?’ vroeg Gust van iets verderop.
Dat zuipt maar op andermans kosten. Het is me wat. Maar zo lang ik naar het prachtige barmeisje mocht, klaagde ik niet.

Het prachtige barmeisje was er even niet. Er stond een slungelige knul achter de toog. Ik moest hem alles uitleggen. Wat grappa is, dat een Korenwolf zonder citroen moet en dat Paso uit Argentinië komt. Uit mijn broekzak graaide ik veel geld. Ik moest de knul ook nog uitleggen hoe veel wisselgeld ik terugkreeg.
‘Hier,’ zei ik kortaf, toen ik de drank voor ieder op de stamtafel zette.
‘Dank je wel, lieve Bas!’ gilde Dove Martha, die was opgestaan en richting het toilet liep.
‘Waar is je man?’ vroeg ik.
‘Weet ik niet!’ krijste ze schouderophalend in het voorbijgaan. ‘We liggen in scheiding!’
Ach zo.

Wat doen al die mensen hier? Wat doe ik hier? Ik heb nog enig recht van spreken; ik wacht tot de film is afgelopen en daarbij ben ik een man van nergens.
Keihard gezang deed me opschrikken uit mijn gedachten. Barst, het zou toch niet waar zijn? Helaas, het was wel waar. Luide Theo was van zijn barkruk opgestaan en had ergens een gitaar vandaan tevoorschijn gehaald. Nu brulde hij Nights In White Satin door het café.
‘Negeren,’ zei ik om mij heen. ‘Hoe eerder hij doorheeft dat er niemand luistert, hoe eerder hij ophoudt.’
Niemand reageerde. Sterker nog, er gingen hoofden heen en weer op de maat van de muziek. Zie, daar was Martha ook weer terug. Wat deed die nou? Die begon lachend mee te zingen! Het ene na het andere oubollige kampvuurlied volgde. Luide Theo deed zijn uiterste best om zijn bijnaam eer aan te doen.
‘De wereld gaat naar de kloten,’ mompelde ik in mijzelf. Ik sloot mijn ogen en verbeeldde me dat ik hier niet was. Nergens.

Plots voelde ik warme lippen op mijn rechterwang. Iemand kuste mij zacht. Het voelde prettig aan. Toen de lippen langzaam weken, draaide ik mijn hoofd naar rechts en keek ik achterom omhoog. Het was Candy. Haar ogen glommen. Ze had haar jas aan en droeg een gebreide muts.
‘Hé dag!’ zei ik. ‘Ik had je helemaal niet gezien. Zat je achterin?’
‘Ja.’
‘Ga je al?’
‘Ja, ik ga.’
‘Nou, dag.’
Ze zwaaide. Weg was ze. Ik keek haar lange blonde haren na. Candy is altijd vriendelijk, Candy is altijd aardig, ik ken Candy eigenlijk niet zo goed. We komen elkaar regelmatig tegen. Iedere keer fluistert ze in mijn oor dat ze mij zo leuk vindt of lief, maar zelden komt het tot een uitgebreidere dialoog. Uitgebreidere dialoog, eigenlijk was ik gek dat ik die hier verwachtte. Maar ik ben dan ook een man van nergens, een man van nooit.

Ik schrok op. Er was iets veranderd. De muziek klonk anders. Luide Theo was weg. Gust had drank besteld en uit laten delen. Er stond een vers glas Korenwolf voor mijn neus. Gust had de gitaar genomen en hij tokkelde er zachtjes op.
‘Ik ben morgen jarig,’ zei hij, terwijl hij mij aankeek. ‘Ik trakteer.’
‘Dank je wel,’ zei ik. ‘Proost. Dat je maar een mooie dag mag hebben.’
‘Er komt toch niemand.’
‘Maar je kunt er toch wel een leuke dag van maken? Voor jezelf?’
‘Wat moet ik doen? Ik ben alleen.’
In een noodgeval zou je nog naar dit afgrijselijke café Dopehond kunnen gaan, dacht ik. Ik zei het niet. ‘Ga iets doen wat je zelf leuk vindt.’
‘Wat zou jij doen, Bas? Als je alleen was?’
‘Weet ik veel. Iets waaraan ik plezier beleef.’
‘Ik zou niet weten wat, waar ik plezier aan beleef.’
Stakker. Je weet niet eens meer hoe leuk je het vindt als iemand aan je fluit trekt, ook al ben je het zelf. ‘Ik heb voor morgen nog een paar goede boeken om te lezen.’ Ik zei maar wat.
‘Een boek lezen? Dat kan ik niet.’
‘Analfabetisme komt nog veel voor.’
‘Nee, dat bedoel ik niet.’
‘Zeg dan wat je bedoelt, Gust. Misschien maak je daar vrienden mee.’
‘Vrienden?’ klonk een stem. Ik keek naast mij. Daar zat Henk. Hij was zo lam als een luier. Zo zag hij eruit ook. ‘Honderd heb ik er al op Facebook,’ zei hij voor zich uit.
‘Al die geluiden om mij heen, dan ben ik zo snel afgeleid.’ Gust ging gewoon verder. ‘Een paar zinnen in de krant, een stukje op internet, dat gaat nog wel. Maar een boek? Nee, dat kan ik niet.’
‘Internet debiliseert,’ zei ik. ’s Kijken hoe hij hierop zou reageren.
‘Jij leest duidelijk wel.’
Ik gebruik te moeilijke woorden, dacht ik. Met een handige beweging gutste ik mijn Korenwolf naar binnen. Toen stond ik op. ‘Jullie hebben nog, zie ik.’

Het prachtige barmeisje glimlachte. Ik bestelde mijn Korenwolf. Ze ging aan het werk. Zo mooi, zo lief, zo klein, zo warm. Ik wil haar vasthouden, wist ik.
Het was me al wel eens eerder overkomen. Zoals die ene keer, lang, heel lang geleden. Ik was eenentwintig en Mayra was elf. Mayra was lief en leuk en mooi. Ze vertelde en luisterde en plaagde en lachte. Ze was er gewoon en ze was een kind. En ik? Ik wilde haar vasthouden. Vasthouden, niets meer en niets minder. Vasthouden, opdat ik haar nooit zou kwijtraken. Niemand, niets, nooit ooit wilde ik kwijtraken.
‘Hallo?’ zei het prachtige barmeisje lachend. ‘Sta je te slapen?’
‘Huh? Och, sorry. Hoe veel is het?’
Ze noemde een bedrag. Ik sleurde kleingeld uit mijn broekzak en gaf voldoende aan haar. Heel even raakten mijn vingers die van haar. Ik kreeg nog wisselgeld terug ook. Ze keek mij aan. Wat was het leven mooi.

‘Proost,’ zei ik toen ik weer aan de stamtafel terug was. Met een fikse teug maakte ik mijn glas half leeg.
Iedereen praatte voor zich uit.
Ik sloot mijn ogen, want alles begon te draaien. Toch waren er allerlei beelden, geluiden en gevoelens. Zo had ik dorst. Niet te stuiten. Maar wodka, daar zit geen kleur aan en geen smaak aan en ik vind er niets aan. Vier vingertjes stak het prachtige barmeisje omhoog. Luide Theo trok de gitaar en zong Nights In White Satin. De lippen van Candy op mijn wang. Ik kan geen boek lezen. Vasthouden, opdat ik nooit iets kwijtraak. Toch is Mayra verdwenen. Rode wijn en vage plaatselijke politiek. Internet debiliseert. Gebarentaal staat altijd interessant en Paso komt uit Argentinië. Officieel is de lente al begonnen, maar de winterse buien houden aan. Vrienden, honderd heb ik er al op Facebook. We liggen in scheiding. Ik sta te slapen. Doe maar rosé. Caféscènes zoals deze, hoe verzin ik ze toch iedere keer? Ze zijn, net als de mensen hier in café Dopehond, net als alles, zo allemachtig onbetekenend, zo volledig vacuüm, zo onmetelijk niets, zo intens inhoudsloos, zo hol, zo …
‘Leeg.’
Ik schrok op. ‘Huh? Hoe weet je dat?’
‘Leeg, Bas.’ De stem van de stamtafel echode in mijn hoofd. ‘Je glas is leeg.’

‘Maar kijk,’ zeg ik nu. ‘Wie we daar hebben.’
Het zijn De Vrouw en De Zoon. Ik glimlach ze tegemoet.
De Vrouw geeft me een kus. ‘Heb je heel veel gedronken?’ vraagt ze.
‘Niet heel veel,’ zeg ik. ‘Wel een beetje veel. Het komt door hen.’ Ik wijs naar de anderen aan de stamtafel.
‘Welja, geef ons maar weer de schuld,’ zeggen Ben, Lena, Dove Martha en Gust in koor. Henk zit op zijn stoel te slapen. ‘Geef ons liever iets te drinken.’
Ik word niet goed. Snel sta ik op en pak mijn jas van mijn rugleuning. ‘We gaan,’ zeg ik.
‘Ja, laten we gaan,’ zegt De Vrouw. ‘Naar huis.’
Thuis, daar wil ik graag zijn. Ik ben nu eenmaal een man van nergens, een man van nooit en een man van niets.
We zwaaien naar iedereen en gaan naar buiten. De winterse bui is hevig.
Als we bij de fiets komen, draait De Vrouw zich naar me om. ‘Je huilt,’ zegt ze.
‘Dat is van de kou,’ lieg ik.


Apeldoorn, april 2013

De hele Op-serie gemist? Lees de drie delen hier (1), hier (2) en hier (3).

Onze nieuwsbrief

Elke maandag ons nieuws in de mail?

Meer lezen over stad

REACTIES

Elke maandag ons nieuws in de mail?