Terugblikken met Apeldoorns stadsdichter Herman Kattemölle

Donderdag 15 december 2022

Door Nikki Vredenberg

Herman Kattemölle is één van de vijf stadsambassadeurs van Apeldoorn en de vijfde stadsdichter die onze stad kent. In 2020 volgde hij Aad van der Waal op. Na een bonus jaar wegens corona loopt Herman’s periode, na drie jaar, als stadsdichter bijna af. Hij blikt terug op zijn tijd als stadsdichter en vertelt over zijn werk, gedichten, de toekomst en meer.

Over Herman Kattemölle:
Geboren: Op 31 oktober 1953 in Nieuweschans, Groningen. Woont 26 jaar in Apeldoorn.
Verliefd, verloofd, getrouwd: Getrouwd met Saskia van de Berg
Kinderen: 2 dochters, twee kleinzonen
Inspiratiebron: Jan Boerstoel, Jeroen van Merwijk en Bram Vermeulen
Hekel aan: Schijnheiligheid
Boek op nachtkastje: Elke week een andere, op dit moment de Tovenaar van Toíbín.

Hoe staat u in het leven?

“Mijn volle overtuiging is dat het leven zin heeft als je jezelf een doel stelt. Het doet er niet toe of je de lat hoog ligt, maar zorg ervoor dat je iets in je leven hebt waar je vol voor wilt gaan. Dat mag ook iets kleins zijn. Het geeft je leven betekenis.”

“Ik heb altijd geluk gehad met mijn werk, alles zat mee. Toen werd ik plots ziek, weg was mijn werk. Als schooldirecteur dacht ik altijd dat de aarde om mij heen draaide. Ik voelde mij een spin in het web, het middelpunt van de reuring. Achteraf was dat allemaal een illusie. Ik moest opkrabbelen en op zoek naar een nieuwe invulling. Dat werd mijn rol als stadsdichter. Als dat voorbij is, vind ik weer een nieuw doel, misschien wel weer iets met theater.”

Hoe bent u begonnen met dichten?

“In mijn studententijd ontdekte ik al dat ik dichten leuk vind. Ik was altijd bezig met popmuziek, songteksten, maar daarnaast ook lid van een poëzie groep. In het theater liet ik mijn gedichten van beroemde dichters én eigen werk uitspelen, of ik zette er muziek onder. Later heb ik veel liedjes gemaakt voor kinderen.”

“Er komt binnenkort een bundeltje uit met verhalen van 12 Apeldoorners met als thema ‘Toevallig Geluk’: Ieder vertelt een kantelmoment, het moment dat achteraf een geluksmoment bleek te zijn. Mijn bijdrage: ‘Hoe een mens stadsdichter wordt’ gaat daar ook over.

“Lang voor het einde van mijn loopbaan kreeg ik de ziekte van Kahler, multipel myeloom: kwaadaardige plasmacellen die op meerdere plaatsen in het beenmerg zitten.Toen heb ik even op het randje gebalanceerd. In het ziekenhuis heb ik veertien liedjes geschreven over wat ik meemaakte. Er gebeurt daar altijd wel wat. Probeer maar eens op een ziekenhuiszaal te slapen! Een onderwerp is bijvoorbeeld kaal worden van de chemo. Dit gaat niet om ijdelheid, maar om eigenheid. Ineens zag ik iemand anders als ik in de spiegel keek. Letterlijk mijn wilde haren kwijt.”

Gaat dichten u makkelijk af?

“Soms moet ik er heel erg over nadenken. Als ik een onderwerp krijg, zoals bijvoorbeeld het thema ‘thuis’ n.a.v. de week van de dialoog, dan kan ik wel honderd invalspunten kiezen. Uiteindelijk koos ik voor de invalshoek waar ìk thuis ben. Waar mijn vrouw is, daar voel ik mij thuis.”

“Ik heb nog wel een voorbeeld over invalshoeken. Aad van der Waal, oud stadsdichter, en ik werden beiden gevraagd om iets te schrijven voor de het vijftigjarig jubileum van de Apeldoornse werkgroep van Amnesty International. Zijn gedicht gaat uit van de beleving/gedachten van iemand die aan de andere kant van de wereld slachtoffer is van geweld. Mijn gedicht schreef ik vanuit de gedachte van iemand die al jaren in het stadhuis komt schrijven, met een onmachtig gevoel. Als stadsdichter vond ik dat ik die invalshoek moest kiezen.”

“Ik mocht ook eens een gedicht schrijven voor de papierfabriek in Loenen. Terwijl ik daar rondliep was ik mij erg bewust van het machtige geluid om mij heen. Met name het overheersende manke ritme van een kettingpomp. In mijn gedicht ben ik uitgegaan van de klank van zo’n fabriek. Ik heb het ook voorgedragen met op de achtergrond een gesampled geluid van de fabriek, met een bas eronder. Ook weer een unieke invalshoek.”

“Ik ben na mijn ziekteperiode een cursus dichten begonnen omdat ik doorgaans expliciete liedjes schrijf. Je leest en hoort het en begrijp direct waar het over gaat. Terwijl ik er zelf juist behoefte aan heb aan strofes waar je tussen de regels moet lezen, waarin je kan wegdromen. Ik vind het fijn als ik niet direct begrijp waar het over gaat, zodat ik het zelf nog wat kan invullen. Maar als stadsdichter moet je ook communiceren. Dat betekent dat je wat loensend tegen de werkelijkheid aan kunt kijken, maar mensen moeten het wel in één keer snappen.”

Heeft u een dicht proces?

“De eerste versie schrijf ik meestal met de hand. Daarna type ik het uit op de laptop. Daar kun je altijd wat makkelijker woorden weghalen en toevoegen. Vaak leg ik het dan voor een dag of twee weg. De ene keer ben ik er daarna nog steeds blij mee en soms denk ik ‘weg ermee’. Voordat ik het op papier zet ben ik er in mijn hoofd trouwens al dagen mee bezig.”

Hoe is het om stadsdichter te zijn?

“Je moet goed kunnen schakelen als stadsdichter. Ik heb bijvoorbeeld een keer een gedicht geschreven voor een eenzame begrafenis. Daar werd ik voor gevraagd, dat wordt mij niet opgedragen. Het ging om een Hongaarse man die was overleden aan een hartaanval. Vanuit de gemeente probeerden twee gedreven ambtenaren bekenden, familie te achterhalen van deze man en überhaupt wat te weten te komen over hem. Ook regelden zij namens de gemeente de begrafenis. Op basis van beperkte informatie, niemand bekommerde zich om de man, heb ik een gedicht geschreven en heb dit voorgedragen in een kamertje in Rouwenhorst met enkel een uitvaartmedewerker en twee ambtenaren. Zo kreeg hij toch in zekere zin een waardig afscheid.”

“Tegenover zo’n opdracht staat dan weer een vrolijker activiteit zoals bijvoorbeeld de gezellige onthulling van het brugwachters lichtkunstwerk.”

Had u verwachtingen van het stadsdichterschap?

“Dat ik met heel veel mensen in aanraking zou komen en dat zij mij zouden inspireren in mijn gedichten en vanuit mijn onderwijsachtergrond hoopte ik kinderen enthousiast te maken over dichten. Kinderen zijn zo oorspronkelijk. Je hebt weinig nodig om ze creatieve dingen te laten schrijven. Dat wilde ik zo graag doen als stadsdichter. Door corona vielen beiden verwachtingen in het water. Het allereerste gedicht dat ik als stadsdichter schreef was voor Berg en Bos. Het geplande buurtfeest waarop ik het gedicht voor zou dragen, werd uitgesteld en uiteindelijk afgesteld. Zo ging dat ook met andere activiteiten. De scholen mocht ik niet bezoeken, dus dat ging ook niet door. Toen het eindelijk allemaal weer kon en mocht kreeg ik een jaar extra. Toen kwam, dat wat ik hoopte, volledig uit. Ik ben helemaal op stoom gekomen en vind het heel erg dat ik moet stoppen. Het is ook goed dat er iemand anders komt natuurlijk, maar door alles wat ik in het derde jaar heb kunnen en mogen doen heb ik wel echt het gevoel dat ik veel gemist heb tijdens die eerste twee jaar.”

Heeft u contact met andere stadsdichters in Nederland?

“Zeker. Voornamelijk via internet. Ik hoop binnenkort samen met de Apeldoornse oud stadsdichters, de nieuwe stadsdichter te verwelkomen! Toen ik begon waren ze er ook. Naar aanleiding van de expositie ‘Locomotion” van Nazif Lopullissa, vroeg Thomas de Bruin van CODA of ik er een gedicht over wilde schrijven en of ik nog andere dichters kende. Samen met Hans Mirck en Sofie Riezebos schreven we over deze tentoonstelling, waar dan weer een video van werd gemaakt. Tijdens een literaire middag “de verjaardag van Marja” in Gigant kwam ik trouwens ook enkele andere oud-stadsdichters tegen.

Wat gaat u het meest missen aan het zijn van stadsdichter?

“De verschillende contacten die het oplevert, het komen op unieke plekken en toch ook wel het verdiepen in zaken waarin ik me normaal niet snel in zou verdiepen. En de stadsdichterscommissie ga ik ook missen, zij hebben mij enorm gestimuleerd. Ze leefden en dachten altijd mee, kwamen regelmatig met ideeën. Bij de voormalige busbaan heb je van die hekken staan. Op de middelste hekken komen dichtregels van mij, dat heeft iemand uit de commissie bedacht. Dat ga ik het meest missen, gesprekken met hen en met anderen die ik mocht ontmoeten.”

Wat vindt u van Apeldoorn?

“Toen ik destijds in Apeldoorn kwam, vond ik de mensen vrij gesloten. Ik werd directeur op de Koningin Wilhelminaschool. Chique volk vond ik, als Delftenaar. Op mijn eerste dag opende ik de deur bij de kleuterafdeling waarop ik zei: ‘Hallo, ik ben de nieuwe directeur. Kom verder, het is vandaag gratis’. Dat grapje werd niet helemaal begrepen, ik kreeg terug ‘Het is toch altijd gratis?’. Toen mensen mij beter leerden kennen en ik de mensen veranderde het wel hoor. Apeldoorners vind ik attent en vriendelijk, en ja, ook een beetje gereserveerd. Wat ik opmerkelijk vond: het eigen stadhuis wordt niet gewaardeerd. Het is een prachtig architectonisch gebouw, maar het leek of niemand het mooi vond. Ik kende destijds TU studenten, die naar Apeldoorn moesten om te zien hoe je een mooi gebouw kunt maken. Apeldoorners zijn ook wel echt bescheiden.”

“Ik heb het in zo’n 25 jaar wel wat zien veranderen hoor. Ze koesteren weliswaar de nostalgie, het moet een dorp moet het blijven, maar het wordt -of men wil of niet- steeds meer een stad. Apeldoorn is de elfde stad qua inwonersaantallen. Ik vind dat je daar trots op kan zijn. We zijn ook de derde groenste en gezondste stad. Apeldoorners mogen wat mij betreft veel meer vieren wat goed en mooi is. Dat is ook mijn taak geweest. Laten zien wat er mooi is in Apeldoorn.”

“Als stadsdichter kwam ik op de meest bijzondere plekken, tussen de schapen van Hoog Buurlo, in de Middelste Molen en laatst nog letterlijk onder de Deventerbrug.”

Van alle gedichten die u schreef als stadsdichter, waar bent u het meest trots op?

“Mijn gedicht over Willem Röntgen. Die gaat ook wel over mijzelf. Ik wist wel dat meneer Röntgen een Apeldoornse jongen was, maar ik wist niet dat hij altijd contact heeft gehouden met Apeldoorn. Hij heeft en apparaat uitgevonden waardoor ik nog leef. Dan komt het dichtbij. Voor mij is dat een belangrijk gedicht”

“Een ander gedicht waar ik trots op ben, hangt in de Apenheul aan een wand. Ik heb jarenlang een seizoenkaart gehad omdat ik er vaak met mijn kleinzoon naartoe ging. Door zijn ogen heb ik een gedicht geschreven. Met dat gedicht was de directeur van de Apenheul blij: ‘jij snapt het DNA van ons park’ zeiden ze.”

“Maar ook mijn gedicht over jeugdhelden. Over een jonge meid die tussen allemaal “oude vrouwen” in de speelgoedbank werkt met enorm veel plezier en inzet. En over een jonge vluchteling die iemand uit het water heeft gered. Hiervoor heb ik simpele woorden en zinnen gebruikt zodat hij het kon volgen. Echt heel fijn om te doen.”

Hoe kunnen we beter op de hoogte blijven van de stadsambassadeurs?

“Steeds meer van ons werk is terug te vinden in buitenruimtes. Zo ook mijn gedichten. Die zijn dan te lezen zoals het werk van beeldend kunstenaars ook buiten te zien is. Er is een stukje uit een gedicht gebruikt op het kunstwerk van het brugwachtershuisje en een ander gedicht is terug te vinden op een elektriciteitskastje in de Loolaan.”

“Als Toon Hagen een concert geeft staat dat altijd aangeven en Boudewijn de Zwart speelt elke maandag op de markt. En de stadsfotograaf timmert digitaal aan de weg. Ambassadeurs worden vaak ingezet op evenementen. Ik word bijvoorbeeld wel eens gevraagd op een thema avond. Dan maak ik een passend gedicht bij dat onderwerp. De aanwezigen krijgen dan per toeval met mij te maken. Voor velen ben ik onbekend.”

Heeft iedereen het in zich om dichter te worden?

“Kinderen zijn er heel goed in om beelden te zien, maar niet iedereen kan deze beelden omzetten naar woorden. Net als dat niet iedereen muzikaal is. Als ik dichtles gaf, dan waren de kinderen altijd enthousiast en werd er veel gelachen. Lekker dromen en je gedachten de vrije loop laten en weinig hoeven opschrijven.”

Heeft u tips voor mensen die graag gedichten zouden schrijven?

“Begin in ieder geval met lezen. Dan kom je uit bij een bepaald soort dichter waarvan je zijn of haar werk mooi vindt. Een hele makkelijke instap is Wilmink, hij heeft ook veel voor het Klokhuis geschreven. Finkers heeft ook hele mooie dingen gemaakt, niet alleen maar komisch werk. Er zijn zoveel dichters op dit moment die de moeite waard zijn om te lezen, van Kopland, Mark Boog, Joke van Leeuwen, tot aan Wigman. Gewoon doen! Ga naar een leesclub. Een cursus volgen helpt ook. Bij een cursus gaat iedereen van zijn of haar eigen niveau uit en wordt daarop aangesproken. En het allerbelangrijkste, dat je zelf iets kan schrijven en daarover kan praten met elkaar. Maar een bezoekje aan het schrijverscafé van Voorst is ook prima hoor.”

En nu?

“Op zoek naar een nieuw doel. Misschien wel weer het theater in. Ik ben zo blij dat ik dat derde jaar heb gekregen, daarvoor heb ik zo weinig voordrachten kunnen doen. Nu ben ik flink op stoom en is het klaar. Heel jammer, maar een oud stadsdichter zei me: ‘Niet getreurd, je blijft voor altijd een oud stadsdichter’.”

“Elke week kies ik een gedicht uit het boek ‘Ik wou dat het een vogel was’. Hier maak ik liedjes van. Ik neem ze op voor mijn kleinkinderen. Wie weet wordt dit ook nog een project.”

Staat er nog iets op de planning?

“Op 16 maart wordt er een, door mij geschreven muziektheaterstuk, uitgevoerd door zo’n veertig mensen. Het heet ‘Scherven van Geluk’ en gaat over de zin van het leven, een zwaar onderwerp, maar lichtvoetig gebracht. Elk mens maakt teleurstellende dingen mee, geen mens ontkomt eraan. Of teleurgesteld in jezelf, of in je kinderen, of in je werk, of dat mensen je niet op waarde schatten, of dat je bijvoorbeeld ziek wordt. Daar gaat het over.”

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Elke maandag onze Apeldoornse verhalen in jouw inbox
De beste berichten en verhalen geselecteerd door Nikki van de redactie
Meer dan 1.500 Apeldoorners gingen je voor
Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Meer lezen over stad

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!