Kijk op de wijk: Moermanhof

Vrijdag 9 juni 2017

Door Jos Jansen of Lorkeers

Bij de serie blogs ‘Kijk in de wijk’ is de eerste vraag: ‘is het onderwerp van de blog een echte Apeldoorner / Apeldoornse?’ Ja hoor: Jaap Moerman was een heel echte Apeldoorner. Geboren op 4 juli 1885 in Ugchelen en overleden op 24 mei 1965 in Apeldoorn.

Om in de voetsporen van zijn vader te treden, die schoolhoofd was, volgde hij de Rijkskweekschool. Moerman stond tussen 1906 en 1916 voor de klas in Wageningen. Maar naar een onderwijzer een straat noemen? Naar Meester Lugtmeijer werd een school genoemd: dat klink logisch. Maar waarom kreeg Moerman dan een straat met zijn naam?

Jacob (roepnaam Jaap) Moerman nam in 1916 ontslag en ging andere dingen doen. Zijn familie kocht een huis voor hem aan de Jachtlaan. Daar ging hij potten bakken. Dat ging goed: in CODA liggen nog wel 50 aardewerken voorwerpen van zijn hand. Ook dieren hadden zijn interesse: hij ging zilvervossen fokken en zijderupsen kweken. Zeer uiteenlopende dingen dus. Maar geen opzienbarende dingen waarmee je een straat op je naam krijgt.

Nee: zijn echte bekendheid kreeg hij door zijn passie voor archeologie. Hij onderzocht en beschreef veel aspecten van de Veluwe uit vroeger tijden: grafheuvels en de ijzer- en papierindustrie.
Vooral de ijzerindustrie op de Veluwe had zijn aandacht. Hij beschreef als eerste de grote invloed van de smeedijzerindustrie op Apeldoorns geschiedenis. Professionele archeologen kregen toen hier ook oog voor. Hij vond de grootste slakkenhoop van Europa: in het Orderbos. Hij bracht hier een gezamenlijk bezoek met deskundigen van de ROB (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) en de GAS (Gelders Archeologisch Stichting). Detail: Ook Reinier Hardonk, waar de vorige blog over ging, was aanwezig: namens de gemeente Apeldoorn.

Moerman hield van experimenteren. Zo bouwde hij in zijn tuin aan de Jachtlaan een ijzeroven om te kijken: ‘kan ik uit klapperstenen zelf ijzer winnen’. Moerman trouwde in 1940 met Willemina Jacoba Sanders. Zij had een praktijk als huisarts. Na hun huwelijk gingen ze in haar huis (Tutein Noltheniuslaan 4) wonen.

Moerman was bijzonder kritisch en schuwde het niet om andere archeologen en geschiedkundigen de les te lezen. Een universitair geschoold historica die schreef dat de plaatsnamen Oene en Wesepe door mensen uit de Bekercultuur zijn bedacht werd zonder pardon op haar plaats gezet. Hij beschouwde haar werk als ‘uiterst onbeholpen gefantaseer over de betekenis van plaatsnamen’.

Tussen Moerman en de plaatselijke Historische Vereniging was het ook niet altijd koek en ei. Er werden vlammende stukken in de Nieuwe Apeldoornse Courant geschreven, soms vulde dat meer dan één pagina.
Moerman overleed in 1965. Zijn weduwe schonk de collectie aan de gemeente Apeldoorn. De collectie van Moerman kwam in een museum aan de Loolaan dat de naam “Museum Moerman” kreeg. Na enige omzwervingen kwam de collectie in CODA.

Een bijzonder man, die Moerman: “je zou er op af kunnen studeren”, zeg ik dan wel eens. Soms luisteren je kinderen toch: mijn dochter schreef haar scriptie over de collecties Felua en Moerman. Daarmee sloot ze haar archeologie-opleiding aan SAXION in Deventer af. Moerman was een echte Apeldoorner die veel bijdroeg aan de kennis van de ijzerindustrie: een belangrijke onderdeel van de Apeldoornse historie.

Meer lezen over stad

REACTIES